Juridische Handreiking Aanpak Huiselijk Geweld en Kinder­mis­han­deling

Auteur: mr. Lydia Janssen
Redactie: LVAK
Publicatiedatum: 1 juni 2026

© 2026, Vereniging LVAK, alle rechten voorbehouden

Voorwoord

De impact van huiselijk geweld en kindermishandeling op slachtoffers is vaak groot. Naast lichamelijk letsel kan er sprake zijn van langdurige psychische schade. Beroepskrachten spelen een belangrijke rol in het tijdig signaleren en stoppen van huiselijk geweld en kindermishandeling.

Sinds 2013 geldt de Wet verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling. Deze meldcode biedt beroepskrachten een praktisch stappenplan van vijf stappen om signalen te herkennen, de ernst van de situatie te beoordelen en te bepalen of een melding bij Veilig Thuis nodig is. Organisaties binnen de sectoren waarop deze wet van toepassing is, zijn verplicht de meldcode te implementeren, te borgen en medewerkers hierover te informeren. Bij signalen of vermoedens van huiselijk geweld en kindermishandeling zijn beroepskrachten verplicht om volgens de meldcode te handelen.

Om zorgvuldig en effectief te kunnen handelen, is het belangrijk dat beroepskrachten beschikken over heldere juridische richtlijnen. Zij moeten weten wat er juridisch van hen wordt verwacht en welke mogelijkheden zij hebben om te handelen. Duidelijkheid is hierbij van groot belang, onzekerheid over wet- en regelgeving kan ertoe leiden dat signalen niet, onjuist of te laat worden opgepakt.

Om beroepskrachten hierin te ondersteunen, heeft de LVAK deze Juridische Handreiking Meldcode Huiselijk Geweld en Kindermishandeling ontwikkeld. Deze handreiking biedt duidelijkheid over veelvoorkomende juridische vraagstukken rondom de meldcode.

Bijzondere dank voor de totstandkoming van deze handreiking gaat uit naar de auteur, Lydia Janssen. Lydia was gedurende haar loopbaan werkzaam als juridisch adviseur en opleider binnen zorg en welzijn. Hoewel zij inmiddels met pensioen is, zet zij zich nog steeds actief in met advies, scholing en de ontwikkeling van materialen op het gebied van het juridisch kader rondom de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling.

Ook bedanken wij de coördinator van de Beschermingscode van de BES-eilanden voor het beschikbaar stellen van het voorbeeld van de Juridische Handreiking voor de BES-eilanden.

Wij hopen dat deze handreiking beroepskrachten ondersteuning biedt zodat juridische onzekerheid geen belemmering vormt bij het handelen bij vermoedens van huiselijk geweld en kindermishandeling.

Afkortingen

AVG Algemene Verordening Gegevensbescherming

BPSW Beroepsvereniging van Professionals in Sociaal Werk

BW Burgerlijk Wetboek (in Boek 7 BW is de WGBO opgenomen)

COA Centraal Orgaan opvang asielzoekers

NIP Nederlands Instituut van Psychologen

NVO Nederlandse Vereniging van Pedagogen en Onderwijskundigen

SKJ Stichting Kwaliteit jeugd- en gezinsberoepskrachten

UAVG Uitvoeringswet Algemene Verordening Gegevensbescherming

VVE Voor- en vroegschoolse educatie

Wet BIG Wet op de Beroepen in de individuele gezondheidszorg

WGBO Wet inzake de geneeskundige behandelovereenkomst

Wkkgz Wet kwaliteit klachten geschillen zorg

Wmo Wet maatschappelijke ondersteuning

Begrippenlijst

Beroepskracht
Ieder die beroepsmatig aan een cliënt (al dan niet in een gedwongen kader) begeleiding, behandeling, hulp, ondersteuning, onderwijs, opvang of zorg biedt.

Cliënt
Ieder aan wie een beroepskracht beroepsmatig (al dan niet in een gedwongen kader) begeleiding, behandeling, hulp, ondersteuning, onderwijs, opvang, preventie of zorg biedt. Een cliënt kan een slachtoffer, een pleger of een getuige zijn van huiselijk geweld of kindermishandeling.1

Dossier
Verzameling digitale of papieren gegevens over een cliënt met het oog op begeleiding, behandeling, hulp, ondersteuning, onderwijs, opvang, preventie of zorg die aan de cliënt wordt geboden.

Gecertificeerde instelling
Instelling die, op basis van een door de overheid verstrekt kwaliteitscertificaat, kinderbeschermingsmaatregelen en maatregelen van jeugdreclassering uitvoert.

Huiselijke kring
De echtgenoot/levensgezel, de ex-echtgenoot/ex-levensgezel, de huisgenoot, een familielid en de mantelzorger.

Hulpverlener
De beroepskracht die een cliënt begeleiding, behandeling, hulp, ondersteuning, preventie of zorg biedt.

Informant
De beroepskracht die door Veilig Thuis benaderd wordt met een verzoek om informatie over zijn cliënt in verband met een melding van huiselijk geweld of kindermishandeling.

Kindcheck
Gestandaardiseerde controle door een beroepskracht of zijn cliënt verantwoordelijk is voor de verzorging en opvoeding van een minderjarige met het oog op de veiligheid van de minderjarige.

Mantelzorgverleningscheck
Gestandaardiseerde controle door een beroepskracht of personen aanwezig zijn die van de cliënt als mantelzorger afhankelijk zijn met het oog op de veiligheid van deze personen.

Pleger
Degene die de kindermishandeling of het huiselijk geweld pleegt of heeft gepleegd, dan wel degene van wie op redelijke gronden wordt vermoed dat hij de kindermishandeling of het huiselijk geweld pleegt of heeft gepleegd.

Veilig Thuis
Het advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling.


  1. Omwille van de leesbaarheid worden alle personen met wie beroepskrachten een professionele relatie hebben ‘cliënt’ genoemd. 

Inleiding

Deze handreiking vertaalt juridische regels naar de dagelijkse praktijk van beroepskrachten. Onderwerpen zoals privacy en beroepsgeheim, het meldrecht, de verplichte meldcode, zorgvuldige dossiervorming, informatie delen en aangifte doen bij de politie komen hierbij uitgebreid aan bod.

De handreiking is bedoeld voor alle beroepskrachten die verplicht werken met de meldcode en die betrokken zijn bij of te maken kunnen krijgen met huiselijk geweld en kindermishandeling. Dit betreft beroepskrachten binnen de sectoren Gezondheidszorg, Jeugdhulp, Onderwijs, Kinderopvang, Sociaal werk, Gemeenten, Justitie en Politie.

De handreiking bestaat uit twee delen. Het eerste deel bevat algemene informatie die relevant is voor alle beroepskrachten die betrokken zijn bij de aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling. Het tweede deel biedt aanvullende informatie die specifiek is afgestemd op de verschillende sectoren.

In deze handreiking wordt de term ‘cliënt’ gebruikt. Hiermee worden ook patiënten, leerlingen, ouders en slachtoffers bedoeld. Waar gesproken wordt over ‘hij’ of ‘zijn’, kan dit gelezen worden als een verwijzing naar alle beroepskrachten, cliënten, patiënten, leerlingen, ouders en slachtoffers, ongeacht genderidentiteit.

De Wet verplichte meldcode spreekt over ‘meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling’. Ouderenmishandeling wordt hierin niet afzonderlijk benoemd en valt onder de term huiselijk geweld. Wanneer in deze handreiking gesproken wordt over huiselijk geweld, wordt ouderenmishandeling daar nadrukkelijk onder verstaan.

Naast deze juridische handreiking heeft de LVAK ook het “Juridische Vragenspel” ontwikkeld: een kaartspel met juridische praktijkvragen en antwoorden. Op sommige kaarten staat een QR-code die verwijst naar extra uitleg in deze juridische handreiking.

Deel 1: Algemene informatie

Dit eerste deel bevat algemene informatie die relevant is voor beroepskrachten uit alle sectoren die werken met de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling.

Huiselijk geweld en kindermishandeling

Dit hoofdstuk beschrijft de begrippen ‘huiselijk geweld’ en ‘kindermishandeling’. Met behulp van voorbeelden wordt uitgelegd welke vormen van gedrag onder deze begrippen vallen.

Kindermishandeling

Kindermishandeling is iedere vorm van fysiek, psychisch of seksueel geweld tegen een minderjarige dat wordt gepleegd door een ouder of een ander van wie de minderjarige afhankelijk is en waardoor lichamelijk of geestelijk letsel ontstaat of kan ontstaan.2

Kenmerkend voor kindermishandeling is dat het fysiek, psychisch of seksueel geweld wordt gepleegd door een persoon van wie het kind afhankelijk is.

Vormen van kindermishandeling

Ouders schreeuwen vaak tegen hun kind dat het dom is en lelijk.

Regelmatig schreeuwen tegen een kind en het vernederen is een vorm van psychische kindermishandeling.

Door een alcoholverslaving geeft een moeder haar jonge kinderen al maanden niet voldoende te eten, wast ze haar kinderen nauwelijks, en brengt ze hen niet op tijd naar school.

Verwaarlozen van kinderen is een vorm van kindermishandeling, ook als de ouder niet de bedoeling heeft haar kind te verwaarlozen.

Een 16-jarige jongen misbruikt zijn zusje van 13 seksueel.

Dit seksueel geweld is een vorm van kindermishandeling, ook als de pleger zelf minderjarig is.

Als de kinderen naar bed zijn, maken de moeder en haar vriend vaak ruzie; ze schreeuwen en schelden en soms valt een klap.

Als kinderen getuige zijn van huiselijk geweld tussen volwassenen is dat een vorm van kindermishandeling, ook als de kinderen al op bed liggen en het alleen horen of de volgende dag merken aan het gedrag van (een van) de ouders. Getuige zijn is breder dan alleen maar dingen zien.

Ouders nemen hun jonge dochters in de zomervakantie mee naar hun geboorteland om hen daar te laten besnijden.

Vrouwelijke genitale verminking, ook wel meisjesbesnijdenis genoemd, is een vorm van fysieke kindermishandeling waardoor op korte en lange termijn ernstige lichamelijke en psychische schade kan ontstaan. Deze vorm van kindermishandeling is in Nederland strafbaar, ook als de besnijdenis in het buitenland is uitgevoerd.

Een driejarige peuter gaat heel hard gillen en op de grond liggen als hij zijn zin niet krijgt. Om het kind duidelijk te maken dat ze dit gedrag absoluut niet willen, geven zijn ouders hem een lichte corrigerende tik als hij begint te schreeuwen.

Deze corrigerende tik is een vorm van fysieke kindermishandeling die expliciet verboden wordt in de wet3: ouders mogen in de opvoeding en verzorging geen fysiek of geestelijk geweld toepassen.

Conclusies kindermishandeling

Let op!

De aanpak van kindermishandeling richt zich op alle kinderen en jongeren die in Nederland wonen, ook op kinderen en jongeren met een andere nationaliteit en op kinderen en jongeren zonder geldige verblijfspapieren.

Huiselijk geweld

Onder huiselijk geweld valt iedere vorm van lichamelijk, geestelijk, of seksueel geweld, of bedreiging daarmee, door iemand uit de huiselijke kring.4

Tot de huiselijke kring behoren een familielid, een huisgenoot, de echtgenoot of voormalig echtgenoot en een mantelzorger.5

Kenmerkend voor huiselijk geweld is dat een bepaalde afhankelijkheidsrelatie aanwezig is (geweest) tussen slachtoffer en pleger.

Vormen van huiselijk geweld

Een man komt zijn ex-partner op straat tegen met haar nieuwe vriend en slaat haar.

Dit slaan is een vorm van huiselijk geweld, want het fysieke geweld wordt gepleegd door een ex-partner. Huiselijk geweld hoeft niet in een woning plaats te vinden; van belang voor huiselijk geweld is dat het geweld gepleegd wordt door iemand uit de huiselijke kring, in dit voorbeeld, de ex-partner.

Een man dreigt zijn partner dat hij hem in elkaar zal slaan als hij merkt dat zijn vriend opnieuw contact zoekt met zijn vorige partner.

Ook het dreigen met geweld door iemand uit de huiselijke kring, zoals een partner of een echtgenoot, is een vorm van huiselijk geweld.

Een man dwingt zijn partner tot seks

Dwingen tot seks, ook door de partner of de echtgenoot, is een vorm van huiselijk geweld.

Een vrouw mag van haar vriend haar vriendinnen niet meer zien omdat ze niet zouden deugen. Hij ontmoedigt ook de contacten met haar familie. Als de vrouw alleen de deur uit gaat moet ze hem ieder kwartier een appje sturen waar ze is.

Dit patroon van controle en dwang, is een vorm van huiselijk geweld. Het wordt intieme terreur genoemd. Controle en dwang gaan vaak gepaard met isoleren, vernederen en intimideren van het slachtoffer, al dan niet in combinatie met ernstig fysiek en seksueel geweld.

Een 18-jarig meisje wordt door haar broers en haar ouders zwaar onder druk gezet met een voor haar onbekende achterneef te trouwen. Uiteindelijk zwicht het meisje voor de druk en trouwt tegen haar zin met haar achterneef.

Deze zware druk van ouders en familie om met een bepaalde persoon te trouwen, wordt huwelijksdwang genoemd en is een vorm van huiselijk geweld. Slachtoffers zijn vooral meisjes en vrouwen, maar huwelijksdwang komt ook voor bij jongens en mannen en bij personen met een genderqueer identiteit.

Een 19-jarige jongen wordt door zijn ouders aan het einde van de vakantie, tegen zijn wil, achtergelaten bij familie in het buitenland.

Achterlating is een vorm van huiselijk geweld. Achterlating wil zeggen dat een kind, een jongere of een volwassene, tegen zijn wil wordt achtergelaten of wordt teruggestuurd naar het buitenland, meestal naar het land waar de ouders of grootouders geboren zijn. Vaak zijn de slachtoffers vrouwen of meisjes maar het kunnen ook jongens of mannen zijn of personen met een genderqueer identiteit.

Een jonge man verleidt een kwetsbaar, dakloos meisje met aandacht, complimenten en cadeaus om bij hem thuis ‘op kamers’ te komen wonen. Daar dwingt hij haar met fysiek en seksueel geweld tot prostitutie waarvan de inkomsten voor hem zijn.

Deze ‘loverboy’ maakt zich schuldig aan mensenhandel, dit wil zeggen het voor werk werven, vervoeren of huisvesten van iemand. Dat gebeurt met dwang, geweld, misleiding of door misbruik te maken van een kwetsbare positie, zoals bij het dakloze meisje. Mensenhandel heeft tot doel iemands inkomsten af te nemen of iemand niet uit te betalen. Het kan zich in de seksindustrie afspelen, maar ook in andere sectoren.

Een broer en een neef mishandelen een jonge vrouw omdat zij de familie te schande zou maken door haar (te) vrije omgang met mannen.

Dit gedrag van de broer en de neef wordt eergerelateerd geweld genoemd: lichamelijk of psychisch geweld om de eer van de familie te beschermen of te herstellen.

Let op!

Voor signalen van eergerelateerd geweld is een specifieke aanpak noodzakelijk. Daarom is het dringende advies aan beroepskrachten om bij signalen die kunnen wijzen op eergerelateerd geweld, direct contact te zoeken met Veilig Thuis, dat een beroep kan doen op het Landelijk Expertise Centrum Eergerelateerd Geweld.

Femicide

Femicide wil zeggen dat een vrouw gedood wordt vanwege haar vrouw-zijn. Door betrokken organisaties wordt geschat dat in Nederland gemiddeld iedere acht dagen een vrouw wordt gedood omdat ze een vrouw is. Vaak gaat het om een (ex-)partner die zijn vrouw of vriendin doodt omdat ze de relatie heeft verbroken. Bijna altijd gaan andere vormen van huiselijk geweld vooraf aan de femicide, zoals (dreigen met) geweld, stalking, verkrachting en intieme terreur. Femicide komt in alle lagen van de samenleving voor: arm en rijk, wel of geen migratieachtergrond, wel of niet gelovig. Bij signalen van femicide moet meteen contact worden opgenomen met Veilig Thuis en bij een acute dreiging, (ook) met de politie.

Conclusies huiselijk geweld

Let op!

De aanpak van huiselijk geweld richt zich op alle slachtoffers die in Nederland wonen, dus ook op slachtoffers met een andere nationaliteit en op slachtoffers zonder geldige verblijfspapieren.

Ouderenmishandeling

Een specifieke vorm van huiselijk geweld is ouderenmishandeling.

Onder ouderenmishandeling valt iedere vorm van lichamelijk of geestelijk geweld of van financieel misbruik gericht tegen een oudere en gepleegd door iemand uit de huiselijke kring.

Typerend voor ouderengeweld is dat een afhankelijkheidsrelatie bestaat tussen de oudere en de pleger.

Vormen van ouderenmishandeling

Een volwassen zoon doet iedere week boodschappen voor zijn bejaarde moeder. Zonder dat de moeder dit weet betaalt de zoon ook zijn eigen boodschappen met het geld van zijn moeder.

Dit financieel misbruik is een vorm van ouderenmishandeling omdat het wordt gepleegd door iemand uit de huiselijke kring van wie het slachtoffer afhankelijk is.

Let op!

Van financieel misbruik is ook sprake als het slachtoffer zich door zijn afhankelijkheid van de pleger verplicht voelt geld of goederen aan de pleger te geven, leningen van de pleger kwijt te schelden of zijn testament te veranderen ten gunste van de pleger.

Een dochter zorgt voor haar moeder. De dochter bepaalt alles: moeder mag niet naar buiten, want dat is te veel gedoe met de rolstoel, bezoek van vrienden en kennissen van de moeder wordt afgehouden en de dochter beslist wat wordt gegeten en welke kleren de moeder draagt. Daarbij negeert de dochter bewust de wensen en voorkeuren van haar moeder.

Dit bewust schenden van rechten en vrijheden door een mantelzorger is een vorm van ouderenmishandeling.

Een man zorgt al jaren trouw voor zijn steeds verder dementerende vrouw. De man raakt door de zorg voor zijn vrouw zwaar overbelast. Dit leidt onbedoeld tot een tekort aan zorg: de vrouw krijgt nauwelijks meer warm eten en ze wordt niet voldoende gewassen en verschoond.

Deze vorm van ouderenmishandeling wordt wel ontspoorde mantelzorg genoemd. Ontspoorde mantelzorg ontstaat vaak, zoals in dit voorbeeld, door overbelasting en onmacht. Soms speelt een gebrek aan (zorg) vaardigheden een rol, of te weinig kennis van de aandoening. De ontspoorde zorg kan ook ontstaan door agressief of ander onbegrepen gedrag van het slachtoffer.

Een zoon die regelmatig voor zijn oude blinde vader zorgt pest en treitert hem door de spullen die zijn vader nodig heeft niet op hun vaste plek te leggen. Hij lacht zijn vader uit als hij misgrijpt.

Dit treiteren en uitlachen is een vorm van psychische ouderenmishandeling.

Conclusies ouderenmishandeling

Let op!

Als in deze handreiking de term ‘huiselijk geweld’ wordt gebruikt, valt daaronder ook ouderenmishandeling als specifieke vorm van huiselijk geweld.


  1. Zie voor de wettelijke definitie artikel 1.1.1 Wmo. 

  2. Artikel 1:247 lid 2 Burgerlijk Wetboek. 

  3. Zie voor de wettelijke definitie artikel 1.1.1 Wmo. 

  4. Zie voor de wettelijke definitie artikel 1.1.1 Wmo. 

Toestemming vragen voor het delen van informatie6

Bij de aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling is het vaak nodig dat je als beroepskracht informatie over cliënten deelt met anderen. Bijvoorbeeld om de signalen van verschillende beroepskrachten bij elkaar te brengen, of tot een gezamenlijke aanpak te komen.

Veel beroepskrachten en organisaties hebben toestemming nodig van hun cliënten om informatie over hen met anderen te delen. Dit geldt in ieder geval voor alle hulpverleners, zoals sociaal werkers, jeugdhulpverleners, psychologen, verloskundigen, verpleegkundigen, artsen, medewerkers in de vrouwenopvang en de verslavingszorg. In deel 2 van deze handreiking wordt beschreven welke beroepsgroepen (in welke gevallen) toestemming nodig hebben voor het delen van informatie over de cliënt.

Bij hulpverleners wordt het toestemmingsvereiste het beroepsgeheim genoemd. Bij andere beroepsgroepen en instellingen, zoals de school, de kinderopvang en de reclassering, spreekt men meestal van het toestemmingsvereiste. In deze handreiking gebruiken we beide termen door elkaar.

Dit hoofdstuk beschrijft hoe je zorgvuldig toestemming vraagt.

Voor alle beroepskrachten die toestemming nodig hebben informatie te delen, speelt regelmatig de vraag wat ze moeten doen als ze geen toestemming krijgen. Bij (signalen van) huiselijk geweld en kindermishandeling geldt een in de wet vastgelegd meldrecht dat het mogelijk maakt zonder toestemming relevante informatie te delen met Veilig Thuis. Dit meldrecht geldt ook voor beroepskrachten met een beroepsgeheim, een ambtsgeheim of een andere zwijgplicht, zie paragraaf 3.1.

Belang van toestemming

Het beroepsgeheim is een belangrijk instrument om te zorgen dat cliënten vrij uit durven spreken met een professional, ook bijvoorbeeld over een moeilijke thuissituatie. Want door het toestemmingsvereiste houden cliënten de regie. Zij bepalen of de beroepskracht informatie over hen met anderen mag delen.

Toestemming vragen

Van belang bij het vragen van toestemming is dat de cliënt wéét waarvoor hij toestemming geeft. Daarom moet je de cliënt eerst uitleggen waarom en met wie je informatie wilt delen en welke informatie je wilt delen. Pas daarna vraag je toestemming. We noemen dit gericht toestemming vragen.7

In schema volgt het vragen van toestemming de volgende route:

Schriftelijk of mondeling

De wet8 stelt geen eisen aan de vorm waarin de cliënt toestemming geeft. Als een cliënt dat mondeling of telefonisch doet, is dat net zo geldig als wanneer hij een handtekening zet. Wel is het bij een mondelinge of telefonische toestemming van belang dat je deze toestemming vastlegt in het dossier zodat duidelijk is wie, wanneer en waarvoor toestemming heeft gegeven. Zo’n volledige aantekening wordt door klachtencommissies en tuchtrechters doorgaans gezien als voldoende bewijs dat toestemming is gegeven, ook als de cliënt later zou zeggen dat hij geen toestemming heeft gegeven of dat hem niets is gevraagd.

Intern protocol eist handtekening

Sommige instellingen verplichten beroepskrachten in hun protocollen en reglementen altijd schriftelijk toestemming te vragen. Als beroepskracht van een instelling waar dit voorschrift geldt, houd je je daaraan. Toch is het goed te weten dat een mondeling gegeven toestemming geldig is. Gaat de cliënt wel akkoord maar is geen tijd aanwezig voor een handtekening, of wil de cliënt geen handtekening onder een formulier zetten, dan maak je een aantekening in het dossier van de mondeling gegeven toestemming. Je vermeldt daarbij waarom je in dit bijzondere geval bent afgeweken van het interne voorschrift van schriftelijke toestemming.

Algemene toestemmingsverklaring is ongeldig

Instellingen werken soms met een algemene toestemmingsverklaring. In zo’n verklaring geeft de cliënt met een handtekening toestemming voor het delen van informatie met derden voor zover dit nodig is voor goed onderwijs of goede hulp. Vaak wordt meteen bij de start van de schoolloopbaan van een kind, of bij de intake van een hulptraject, aan de cliënt of de ouders gevraagd een formulier te ondertekenen. Het idee is dat door deze verklaring de toestemming ‘alvast geregeld is’ als tijdens de schoolloopbaan of het hulptraject overleg met anderen nodig is. Dat klopt niet. Want deze algemene verklaringen zijn ongeldig omdat de toestemming te algemeen en daarmee onvoldoende gericht wordt gevraagd en gegeven.9

Geen stilzwijgende toestemming

In een informatiegids van een school, of in algemene informatie op de website van een instelling, staat soms dat men aanneemt dat je als ouder of als cliënt instemt met noodzakelijk extern overleg. Mocht je dat niet willen, dan kun je dat kenbaar maken. Deze ‘wie zwijgt stemt toe’ werkwijze leidt niet tot een geldige toestemming, want voor toestemming is passief zwijgen onvoldoende. Toestemming geven vereist een actieve handeling, zoals ja knikken, ja zeggen, een mail sturen, of een handtekening zetten.

Leeftijdsgrenzen bij het vragen van toestemming voor het delen van informatie

Hulpverlening

Voor hulpverleners, zoals artsen, sociaal werkers, jeugdhulpverleners verloskundigen, psychologen en pedagogen, geldt de leeftijdsgrens van twaalf jaar. Is de cliënt nog geen twaalf jaar, dan moeten hulpverleners voor het delen van informatie toestemming vragen aan de wettelijk vertegenwoordiger(s). Vanaf twaalf jaar beslist de cliënt zelf over het delen van informatie.10

Wil een hulpverlener bij een cliënt vanaf 12 jaar ook informatie delen over de ouders, dan moet hij daarvoor toestemming vragen aan de ouders.

Andere sectoren: onderwijs, leerplicht, reclassering, gevangeniswezen

Voor beroepskrachten in andere sectoren, zoals onderwijs, kinderopvang, leerplicht, reclassering, COA en penitentiaire inrichtingen, geldt de leeftijdsgrens van 16 jaar. Is een cliënt nog geen 16 jaar, dan moet toestemming gevraagd worden aan de wettelijk vertegenwoordiger(s).11

Wil een beroepskracht bij een cliënt vanaf 16 jaar ook informatie delen over zijn ouders, dan moet hij daarvoor toestemming vragen aan de ouders.

Wettelijk vertegenwoordiger: ouder of voogd

De wettelijk vertegenwoordiger heeft als taak om de belangen van de minderjarige te behartigen. In de meeste gevallen is de ouder die gezag uitoefent de wettelijk vertegenwoordiger van een kind. Heeft het kind geen ouders meer, of heeft de rechter het gezag beëindigd, dan wijst de rechter een andere persoon aan die met het gezag wordt belast, zoals een oma, een tante, een oom of een gecertificeerde instelling. Deze niet-ouder die gezag uitoefent, wordt de voogd genoemd. De voogd heeft dezelfde juridische positie als de gezaghebbende ouder(s). Aan de voogd moet dus toestemming worden gevraagd voor het delen van informatie over een cliënt die nog geen 12 (of 16) jaar oud is.

Als in deze handreiking de gezaghebbende ouders worden genoemd, bedoelen we daarmee ook de voogd(en).

Let op!

De voogd moet niet worden verward met de gezinsvoogd die tijdens een ondertoezichtstelling van een minderjarige toeziet op zijn veiligheid en hulp en steun biedt. Anders dan de voogd heeft de gezinsvoogd géén gezag over de minderjarige, want tijdens een ondertoezichtstelling blijft het gezag bij de ouder(s).12

Ouders zijn het niet met elkaar eens

Bij twee gezaghebbende ouders waarbij de ene ouder wel toestemming geeft en de andere ouder niet, dan kan de beroepskracht geen informatie delen op basis van toestemming want daarvoor moeten beide gezaghebbende ouders akkoord zijn.

Toestemming vragen bij wilsonbekwaamheid

Wilsbekwaam is de term die in de hulpverlening en in de zorg wordt gebruikt aan te geven dat een cliënt zelfstandig kan beslissen over hulp en zorg en dat hij de gevolgen van zijn beslissingen kan overzien. Wilsbekwaam wordt ook wel beslisvaardig genoemd.

Van beroepskrachten wordt gevraagd dat ze de cliënt zo goed mogelijk in staat stellen zelf te beslissen. Dit wil zeggen dat je informatie afstemt op de mogelijkheden en beperkingen van de cliënt. Bijvoorbeeld door taalgebruik aan te passen, door alternatieven zo concreet mogelijk te beschrijven, met voor- en nadelen, of door de relevante informatie stapsgewijs aan te bieden.

Is een cliënt ondanks de inspanningen van de hulpverlener niet in staat zelf beslissingen te nemen over hulp en zorg en zijn rechten uit te oefenen, dan spreken we van wilsonbekwaamheid.

Twijfel je aan de wilsbekwaamheid van je cliënt, dan vraag je een deskundige arts of gedragswetenschapper de wilsbekwaamheid te beoordelen. Is de cliënt volgens deze deskundige wilsonbekwaam, dan vraag je toestemming aan degene die de cliënt vertegenwoordigt. Zie voor meer over het beoordelen van wilsbekwaamheid: Handreiking Beslisvaardigheid en Wilsbekwaamheid.

De beoordeling van de wilsbekwaamheid kan afhankelijk zijn van de te nemen beslissing en de gevolgen daarvan. Zo kan een dementerende cliënt wilsbekwaam zijn voor het geven van toestemming aan de thuiszorg voor overleg met de mantelzorger. Terwijl dezelfde cliënt wilsonbekwaam kan zijn als de thuiszorg hem toestemming vraagt signalen van ouderenmishandeling te bespreken met de vermoedelijke pleger, buurman van de cliënt. In de eerste situatie zullen de gevolgen voor de cliënt eenvoudig te overzien zijn. In de tweede situatie is het veel moeilijker voor de cliënt te overzien wat het gesprek van de thuiszorg gaat betekenen voor de relatie met de mantelzorgende buurman van wie hij al jaren afhankelijk is.

Vertegenwoordigers van de wilsonbekwame cliënt

In geval van wilsonbekwaamheid bij een meerderjarige cliënt, wordt toestemming gevraagd aan: 13

Een mentor vertegenwoordigt de cliënt bij behandeling, begeleiding, verpleging en zorg. Een curator vertegenwoordigt de cliënt bij financiële zaken én bij behandeling, begeleiding, verpleging en zorg. Ook als een cliënt een mentor of een curator heeft, kan het zijn dat de cliënt wel wilsbekwaam is voor eenvoudige beslissingen. Is dat het geval dan moet daarvoor toestemming aan de cliënt worden gevraagd.

Een bewindvoerder vertegenwoordigt de cliënt alleen bij financiële en zakelijke beslissingen, hij vertegenwoordigt de cliënt niet bij beslissingen over hulp, zorg en behandeling.

Let op!

Informatie delen met de gezaghebbende ouders

Gezaghebbende ouders zijn als eersten verantwoordelijk voor de opvoeding, verzorging en veiligheid van hun minderjarige kinderen. Daarom hebben gezaghebbende ouders een bijzondere positie als je als beroepskracht informatie met hen wilt delen over hun kinderen.

Bij het informeren van gezaghebbende ouders gelden voor hulpverleners de leeftijdsgrenzen van 12 en 16 jaar.

Is een cliënt nog geen 12 jaar dan informeer je de gezaghebbende ouders over de hulp aan hun kind en je informeert hen ook als je zorgen hebt over zijn veiligheid of gezondheid.

Is de cliënt al wel 12 en nog geen 16 jaar, dan informeer je de gezaghebbende ouders over de hulp die je aan hun kind biedt, voor zover de ouders deze informatie nodig hebben om te beslissen over doorgaan, veranderen of beëindigen van de hulp. Voor het geven van deze informatie heb je geen toestemming nodig van de jongere. Je hebt ook geen toestemming nodig om de ouders te informeren als je ernstige zorgen hebt over de veiligheid of de gezondheid van je cliënt. Vanwege de verantwoordelijkheid van gezaghebbende ouders behoor je ze hierover te informeren, ook als een jongere je daarvoor geen toestemming geeft. Alleen als je concrete aanwijzingen hebt dat door het informeren van de ouders aanzienlijke veiligheids- of gezondheidsrisico’s ontstaan, kun je het informeren van ouders uitstellen of achterwege laten.16

Vanaf 16 jaar heeft de jongere een zelfstandige positie, onafhankelijk van zijn gezaghebbende ouders. Informeren van de ouders is in principe alleen mogelijk met toestemming van de jongere. De ouders informeren zonder toestemming van de jongere is alleen mogelijk als je meent dat het spreken met de ouders de enige manier is (een aanzienlijk risico op) ernstige schade voor de jongere of voor een ander te beperken of te voorkomen. Je doet dan een beroep op een conflict van plichten, zie voor meer hierover hoofdstuk 4.

Let op!

Voor beroepskrachten in het onderwijs, bij de (jeugd)reclassering, slachtofferhulp en leerplicht gelden enigszins afwijkende regels. Zie deel 2 van deze handreiking voor specifieke informatie per beroepsgroep of sector.

Informatie delen met de vertegenwoordiger van een wilsonbekwame cliënt

Heeft een deskundige vastgesteld dat een cliënt wilsonbekwaam is en niet (meer) zelf kan beslissen, dan oefent een vertegenwoordiger zijn rechten uit. Deze vertegenwoordiger geeft toestemming voor hulp en behandeling, bespreekt zorg- en behandelplannen en oefent de dossierrechten uit. De vertegenwoordiger betrekt de cliënt zoveel mogelijk bij de te nemen beslissingen. Voor het delen van informatie met de vertegenwoordiger is geen toestemming nodig van de cliënt. Bij wijze van hoge uitzondering kun je de informatie aan de vertegenwoordiger beperken als dit noodzakelijk is voor de veiligheid of de gezondheid van de cliënt.17

Casus “Twijfels over beslisvaardigheid”

Een huisarts wil met een lid van het wijkteam overleggen over de thuissituatie van een hoogbejaarde patiënte. De vrouw woont alleen en verwaarloost zichzelf. Professionele hulp is dringend nodig. De huisarts wil dit via het wijkteam organiseren. Als de huisarts zijn patiënte uitlegt waarover hij met het wijkteam wil spreken, gaat ze zonder iets te vragen met een hoofdknikje akkoord. Dat is opvallend want de vrouw heeft zich tot nu toe steeds fel verzet tegen iedere vorm van hulp. Als de huisarts doorvraagt en haar herinnert aan haar eerder verzet, haalt ze haar schouders op en zegt ze dat ze dat niet meer weet. De huisarts vraagt zich af of de vrouw begrijpt wat hij haar vraagt en ook of zij in staat is hierover een beslissing te nemen. Daarom regelt de huisarts een nieuwe afspraak voor de vrouw met een collega in de praktijk haar wilsbekwaamheid te onderzoeken.

Lydia zegt:Nu de huisarts signalen heeft dat zijn patiënte mogelijkerwijs niet meer goed begrijpt waarvoor hij haar toestemming vraagt, heeft hij de plicht te onderzoeken of zij ter zake wilsbekwaam is. Bij voorkeur gebeurt dit door een onafhankelijke arts of gedragsdeskundige met wie de patiënt geen zorgrelatie heeft. Vandaar dat de huisarts een collega inschakelt. Zou de collega tot het oordeel komen dat de patiënte ter zake wilsonbekwaam is, dan zoekt de huisarts contact met de kinderen van de vrouw om hen te vragen wie van hen als vertegenwoordiger wil optreden. Zie Procedure mentorschap aanvragen.

Casus “Heeft de dochter recht op inzage?”

De dochter van een 87-jarige cliënte wil inzage in het dossier van haar moeder. Ze stelt dat ze daar recht op heeft omdat haar moeder in haar levenstestament haar heeft aangewezen als haar vertegenwoordiger. De hulpverlener aarzelt, is de vrouw inderdaad de vertegenwoordiger van haar moeder?

Lydia zegt:Als de cliënt wilsbekwaam is heeft de aanwijzing in het levenstestament (nog) geen betekenis. In het levenstestament wijst een cliënt een andere persoon aan als zijn vertegenwoordiger, voor het geval de cliënt wilsonbekwaam wordt. Zolang de cliënt wilsbekwaam is, beslist de cliënt zelf en oefent ze zelf haar rechten uit. Pas als een deskundige heeft vastgesteld dat de cliënt wilsonbekwaam is, geldt de bepaling in het levenstestament dat de dochter haar moeder vertegenwoordigt. Dan oefent zij de rechten van haar moeder uit, zoals het recht op inzage in en kopie van het dossier.

Casus “Geen medicijnen”

Het medisch team van het ziekenhuis vermoedt, na een derde opname van een ernstig zieke cliënt met een verstandelijke beperking (32) op de Spoedeisende Hulp, dat zijn moeder (54) hem opzettelijk ernstig ziek maakt door hem zijn medicijnen niet te geven. De man woont bij zijn moeder en zij is zijn mentor. In een gesprek met de moeder ontkent ze dat ze haar zoon geen medicijnen geeft. Na het gesprek volgen nieuwe opnames van een zeer ernstig zieke cliënt. In een gesprek met een verpleegkundige vertelt de cliënt dat hij geen medicijnen meer krijgt omdat zijn moeder zegt dat deze slecht voor hem zijn. Het medisch team maakt zich grote zorgen over de gezondheidstoestand van de cliënt. Men besluit de cliënt na behandeling niet naar huis te sturen maar de opname te verlengen en een melding te doen bij Veilig Thuis met het verzoek te onderzoeken hoe de cliënt op korte termijn in veiligheid kan worden gebracht. Na overleg met de aandachtsfunctionaris en met Veilig Thuis besluit het ziekenhuis de moeder niet te informeren over de werkelijke reden van de verlengde opname en haar over de melding alleen te zeggen dat deze werd gedaan omdat de cliënt regelmatig ernstig ziek op de Spoedeisende Hulp komt terwijl de oorzaak niet bekend is.

Lydia zegt:Omdat de moeder de mentor is van de cliënt moet het ziekenhuis haar als regel algehele openheid geven over de reden van de (verlengde) opname en over de inhoud van de melding. Bij wijze van hoge uitzondering kan de informatie aan de mentor beperkt worden als dit uit een oogpunt van ‘goed hulpverlenerschap’ ten opzichte van de cliënt noodzakelijk is. Van deze mogelijkheid maakt het ziekenhuis in deze casus gebruik, om zo te voorkomen dat de moeder haar zoon uit het ziekenhuis weghaalt.

Casus “Zorgen over een 13-jarige”

Een huisarts maakt zich zorgen over een jongen van 13 jaar. Ze vermoedt dat het kind door haar alleenstaande moeder ernstig wordt verwaarloosd. Ze wil overleggen met de sociaal werker die ook in het gezin komt te kijken wat voor moeder en kind kan worden gedaan. De huisarts heeft toestemming aan de moeder gevraagd voor het overleg met maatschappelijk werk.

Lydia zegt:Het vragen van toestemming aan de moeder is in dit geval niet voldoende, ook moet toestemming gevraagd worden aan de 13-jarige jongen.

Casus “Toestemming vragen namens andere deelnemers aan een overleg”

Een overleg wordt gepland om de zorgen over kindermishandeling in een gezin te bespreken. Het gezin bestaat uit een moeder en een tweeling van 5 jaar. Deelnemers aan het overleg zijn de huisarts, de sociaal werker, de jeugdhulpverlener en de intern begeleider van de basisschool. Bij de start van het overleg zegt de sociaal werker, die het gezin voor het overleg heeft aangemeld, dat hij namens alle deelnemers toestemming heeft gekregen informatie te delen. Hij heeft de moeder ook uitgenodigd voor het overleg maar dat wilde ze liever niet. De jeugdhulpverlener twijfelt of de toestemming die de sociaal werker heeft gevraagd voldoende is. Hij heeft sommige van zijn zorgen over de thuissituatie van de kinderen nog niet met de moeder doorgesproken.

Lydia zegt:Hoewel het in het algemeen niet noodzakelijk is dat iedere deelnemer aan het overleg zelf toestemming aan de moeder vraagt, zijn de twijfels van de jeugdhulpverlener terecht. Nu de moeder niet weet welke informatie hij in het overleg wil delen, moet hij zelf contact met haar zoeken. Hij kan dan uitleggen welke informatie hij wil delen en waarom hij dat nodig vindt en haar dan toestemming vragen.

Casus “Niet aan mijn moeder vertellen”

Een meisje van veertien vertelt haar psycholoog dat ze door haar oom regelmatig wordt aangerand. Ze vraagt de psycholoog dringend hierover niet met haar moeder te spreken, omdat haar moeder dan boos op haar wordt. Want haar oom zorgt voor financiële ondersteuning van moeder en dochter. De psycholoog zegt dat hij niet kan beloven dat hij haar moeder hier buiten laat. Wel belooft hij dat hij niets buiten het meisje om doet. Hij overlegt eerst weer met haar voordat hij eventueel, zo mogelijk samen met het meisje, vervolgstappen zet.

Lydia zegt:De psycholoog handelt zorgvuldig door geen geheimhouding te beloven. Want in principe hoort hij de gezaghebbende ouder(s) te informeren als een kind of een jongere tot zestien jaar ingrijpende zaken met hem bespreekt. Hij mag hierop alleen een uitzondering maken als hij meent dat door openheid richting ouder(s) een onveilige situatie voor het meisje kan ontstaan.


  1. Precies geformuleerd is toestemming nodig voor het aan een ander verstrekken van persoonsgegevens van de cliënt. Daarmee worden alle gegevens bedoeld die herleidbaar zijn tot een individuele cliënt. Zoals de geboortedatum, adres, onderwijsresultaten, financiële situatie, informatie over de gezondheid, gegevens over hulp die de cliënt heeft (gehad), de gezinssamenstelling, geweld waarbij de cliënt als slachtoffer of als pleger betrokken is, enzovoort. In deze Handreiking wordt het verstrekken van persoonsgegevens van een cliënt kortheidshalve ‘delen van informatie’ genoemd. 

  2. Gericht toestemming vragen wordt ook wel informed consent genoemd. De eis van gerichte toestemming blijkt o.a. uit de definitie van ‘toestemming’ in artikel 4 AVG: ‘elke vrije, specifieke, geïnformeerde en ondubbelzinnige wilsuiting waarmee de betrokkene d.m.v. een verklaring of een andere ondubbelzinnige actieve handeling hem betreffende verwerking van persoonsgegevens aanvaardt’. 

  3. Zie bijvoorbeeld artikel 4 AVG, art, 7:457 WGBO en artikel 7.3.11 van de Jeugdwet. 

  4. Zie noot 6. 

  5. Zie artikel 7:465 WGBO en artikel 7.3.15 Jeugdwet. Er is nog wel eens verwarring over de positie van jongeren tussen 12 en 16 jaar: Bij het delen van informatie beslist een jongere vanaf 12 jaar zelfstandig. Bij toestemming geven voor hulp en behandeling is tussen 12 en 16 jaar als regel toestemming nodig van de jongere én van de gezaghebbende ouders. Daarover beslist de jongere vanaf zijn 16e jaar zelfstandig. 

  6. Deze leeftijdsgrens is ontleend aan artikel 5 van de UAVG. 

  7. Volledigheidshalve: wordt een kind bij een ondertoezichtstelling uit huis geplaatst dan kan de rechtbank in bijzondere gevallen een deel van het gezag van de ouders overhevelen naar de gezinsvoogd zodat deze kan beslissen over de aanvraag van een paspoort, de plaatsing op een school en een medische behandeling. 

  8. Zie artikel 7:465 BW en artikel 7.3.15 Jeugdwet. 

  9. De cliënt wijst dan in een schriftelijke, gedateerde en ondertekende verklaring een bepaalde persoon aan die hij machtigt beslissingen over de zorg te nemen als hij daar zelf niet meer toe in staat is. Zo’n machtiging kan ook onderdeel zijn van een levenstestament van de cliënt. Voor het opstellen van de verklaring of van het levenstestament is het noodzakelijk dat de cliënt wilsbekwaam is. 

  10. Deze rechterlijke machtiging wordt voor psychiatrische patiënten geregeld in de Wet verplichte ggz en voor cliënten met een verstandelijke beperking of met psychogeriatrische problematiek in de Wet zorg en dwang. 

  11. Zie artikel 7:465 BW en artikel 7.3.15 Jeugdwet. 

  12. Art. 4654 lid 4 BW en art. 7.3.15 lid 4 Jeugdwet. Beide wetteksten maken de beperking mogelijk als het wel informeren ‘strijdig is met de zorg van een goed hulpverlener’. 

Meldrecht

Wat te doen als je geen toestemming van je cliënt of zijn ouders krijgt om informatie te delen terwijl dat volgens jou dringend nodig is om je cliënt tegen geweld te beschermen?

Voor het delen van informatie met Veilig Thuis geldt een in de wet vastgelegd meldrecht. Dit meldrecht maakt het voor beroepskrachten mogelijk zo nodig zonder toestemming van de cliënt informatie te delen. Over het meldrecht gaat dit hoofdstuk. Aan het slot daarvan wordt nog enige aandacht besteed aan twee andere meldrechten: het meldrecht voor de Raad voor de Kinderbescherming en het meldrecht (en de informatieplicht) voor de gezinsvoogd.

Meldrecht

Het wettelijk meldrecht maakt het voor beroepskrachten mogelijk signalen van huiselijk geweld en kindermishandeling te melden bij Veilig Thuis. Daarvoor is geen toestemming nodig van de cliënt. Wel wordt van de beroepskracht verwacht dat hij zijn zorgen en signalen eerst met de cliënt bespreekt en ook aan hem laat weten dat hij een melding gaat doen en waarom hij dit noodzakelijk vindt.

Let op!

Zie voor de inhoud van een melding paragraaf 5.3.

Meldcode

Het besluit om een melding te doen moet zorgvuldig worden genomen. Daarom zijn veel beroepskrachten19 verplicht de stappen van de meldcode te zetten bij (vermoedens van) kindermishandeling en huiselijk geweld. Deze stappen ondersteunen beroepskrachten om tot een zorgvuldig besluit te komen of een melding moet worden gedaan bij Veilig Thuis. Zie voor meer over de meldcode hoofdstuk 5.

Meldrecht alleen voor informatie delen met Veilig Thuis

Het meldrecht geldt alleen voor het delen van informatie met Veilig Thuis. Als beroepskrachten met elkaar willen overleggen over signalen of over een gezamenlijke aanpak, gebeurt dat op basis van toestemming, of eventueel zonder toestemming op basis van een conflict van plichten zoals beschreven in hoofdstuk 4.

‘Informatierecht’: Informatie delen op verzoek van Veilig Thuis

Het wettelijk meldrecht biedt beroepskrachten ook het recht om op verzoek van Veilig Thuis informatie over de cliënt te delen. Hiervoor is geen toestemming nodig van de cliënt en ook deze ‘kant’ van het meldrecht geldt voor alle beroepskrachten, ook voor beroepskrachten met een beroepsgeheim, een ambtsgeheim of een andere zwijgplicht.

In deze handreiking wordt het recht van beroepskrachten om op verzoek van Veilig Thuis, zonder toestemming van de betrokkene, informatie te delen het informatierecht genoemd.

Informatierecht of -plicht

Ben je als beroepskracht verplicht informatie met Veilig Thuis te delen? Nee, want het informatierecht is een recht en geen plicht voor beroepskrachten. Maar het is geen vrijblijvend recht. Als Veilig Thuis naar aanleiding van een melding beroepskrachten benadert met een informatieverzoek betekent dit dat Veilig Thuis meent dat mogelijk sprake is van een onveilige thuissituatie die moet worden onderzocht. Daarom mag van beroepskrachten worden verwacht dat zij van hun informatierecht gebruik maken als Veilig Thuis hen kan uitleggen waarom hun informatie noodzakelijk is voor het onderzoek of voor het stoppen van het geweld.

Voor het gebruik van het informatierecht is het niet nodig dat je zelf als beroepskracht signalen hebt van kindermishandeling of huiselijk geweld. Dat Veilig Thuis heeft geoordeeld dat onderzoek nodig is naar een vermoeden van huiselijk geweld of kindermishandeling, is voldoende voor gebruik van je informatierecht, ook als je zelf (nog) geen zorgen hebt. Ook ‘positieve’ informatie is belangrijk voor de veiligheidsbeoordeling en het onderzoek van Veilig Thuis.

Dat je als regel geacht wordt je informatierecht te gebruiken als Veilig Thuis je benadert, betekent niet dat je in reactie op alle vragen van Veilig Thuis informatie over je cliënt moet delen. ‘Ik heb te beperkt contact met de ouders om daar iets over te kunnen zeggen’, of ‘daarover vind ik geen aantekeningen in mijn dossier’, zijn ook ‘goede’ antwoorden die zinvol zijn voor het onderzoek van Veilig Thuis!

Feiten en oordelen

Van belang is dat voor jou zelf als beroepskracht duidelijk is of Veilig Thuis naar feiten vraagt of naar jouw oordeel. Bij vragen naar feiten is na het raadplegen van het dossier doorgaans wel duidelijk hoe je antwoord moet luiden. Vraagt Veilig Thuis naar een professioneel oordeel, dan is enige terughoudendheid op zijn plaats. Alleen als Veilig Thuis je kan overtuigen dat jouw professioneel oordeel essentieel is voor de beoordeling van de veiligheid of voor het stoppen van het geweld, kun je overwegen ook een oordeel te geven. Blijf daarbij binnen je deskundigheidsgebied en kom alleen met een oordeel als je voldoende feiten hebt om je oordeel te onderbouwen.

Stappenplan voor de omgang met het informatierecht

Hoe ga je als beroepskracht zo om met je informatierecht dat je het vertrouwen van je cliënt behoudt? Uitspraken van (tucht)rechters en klachtencommissies maken duidelijk welke stappen van beroepskrachten verwacht worden als Veilig Thuis hen informatie vraagt:

Stap 1: Vraag waarom Veilig Thuis informatie van jou nodig heeft en welke informatie

Stap 2: Ga in gesprek met de cliënt

Stap 3: Beslis wel of niet informatie delen

Stap 4: Geef zorgvuldig antwoord op de vragen van Veilig Thuis

Stap 5: Leg vast

Stap 1: Vraag waarom Veilig Thuis informatie van jou nodig heeft en om welke informatie het gaat
Stap 2: Ga in gesprek met de cliënt
Bij minderjarige cliënten

Wil je ook informatie aan Veilig Thuis verstrekken over derden, zoals een ouder die geen gezag heeft en een nieuwe partner van een ouder, beoordeel dan of het nodig is ook met hen in gesprek te gaan. Voor dit gesprek heb je toestemming nodig van de gezaghebbende ouders en van de jongere vanaf 12 jaar.

Bij meerderjarige cliënten

Is je cliënt wilsonbekwaam ga dan ook in gesprek met zijn vertegenwoordiger.

Wil je ook informatie delen met Veilig Thuis over anderen zoals een huisgenoot, en een (ex-)partner, beoordeel dan of het nodig is ook met hen in gesprek te gaan. Je hebt hiervoor toestemming nodig van je cliënt, of in geval van wilsonbekwaamheid, van zijn vertegenwoordiger.

Bij cliënten die onbereikbaar zijn

Kun je een cliënt niet bereiken? In dat geval wordt een redelijke inspanning van je gevraagd om alsnog contact met de cliënt te krijgen. Probeer dit op verschillende dagen van de week, verschillende tijdstippen en op verschillende manieren (app, mail, telefoon, brief, huisbezoek). Afhankelijk van de ernst van het geweld zul je soms wel en soms niet kunnen besluiten een of twee weken te wachten alvorens opnieuw te proberen de cliënt te bereiken. Overleg met de aandachtsfunctionaris, en bij afwezigheid daarvan met een deskundige collega, of je voldoende hebt gedaan om de cliënt te bereiken en ga dan verder met stap 3. Noteer in je dossier wat je hebt gedaan om contact te krijgen met de cliënt. Vermeld in de informatie die je met Veilig Thuis deelt, dat je de cliënt niet hebt kunnen bereiken.

Stap 3: Beslis: wel of niet informatie delen
Stap 4: Geef zorgvuldig antwoord
Stap 5: Leg vast

Let op!

Raadpleeg de aandachtsfunctionaris bij het zetten van de verschillende stappen en vraag in ieder geval advies aan de aandachtsfunctionaris bij het formuleren van antwoorden op de vragen van Veilig Thuis. Bij ontbreken van een aandachtsfunctionaris, raadpleeg dan een deskundige collega. Advies aan de aandachtsfunctionaris wordt als regel gevraagd op basis van anonieme cliëntgegevens, zie voor meer hierover paragraaf 6.3.

Meldrecht Raad voor de Kinderbescherming en voor de gezinsvoogd

In dit hoofdstuk over het meldrecht voor Veilig Thuis wijzen we ook kort op de meldrechten voor de Raad voor de Kinderbescherming en de gezinsvoogd.

Meldrecht Raad voor de Kinderbescherming

Het meldrecht voor de Raad voor de Kinderbescherming maakt het voor beroepskrachten mogelijk om, zo nodig zonder toestemming van de cliënt, gevraagd en ongevraagd informatie te delen met de Raad voor de Kinderbescherming.20 Dit meldrecht geldt ook voor beroepskrachten met een beroepsgeheim, een ambtsgeheim of een andere zwijgplicht. Informatie kan worden gedeeld voor zover de Raad de informatie nodig heeft voor het uitvoeren van zijn wettelijke taken, zoals onderzoek doen naar de noodzaak van een kinderbeschermingsmaatregel en adviseren in straf- en civiele zaken over minderjarigen.

Meldrecht gezinsvoogd

Als een kind door de rechtbank onder toezicht is gesteld van een gecertificeerde instelling heeft de gezinsvoogd een sterke informatiepositie. De gezinsvoogd is de medewerker die de ondertoezichtstelling namens de gecertificeerde instelling uitvoert. Beroepskrachten hebben t.o.v. de gezinsvoogd een meldrecht als zij menen dat ze informatie moeten delen met de gezinsvoogd in verband met de ondertoezichtstelling.

Informatieplicht gezinsvoogd

Gaat het initiatief uit van de gezinsvoogd, vraagt de gezinsvoogd de beroepskracht om informatie, dan geldt voor beroepskrachten een informatieplicht. Zij moeten informatie over hun cliënt verstrekken voor zover de gezinsvoogd duidelijk kan maken dat deze informatie nodig is voor de uitvoering van de ondertoezichtstelling.21

Let op!

Het meldrecht en de informatieplicht gelden voor alle beroepskrachten, ook voor beroepskrachten met een beroepsgeheim, een ambtsgeheim of een andere zwijgplicht.

Ook bij het delen van informatie met de Raad voor de Kinderbescherming en de gezinsvoogd ondersteunen de stappen van paragraaf 3.3 beroepskrachten om dit op een zorgvuldige manier te doen.

Casus “En mijn beroepsgeheim dan en het zelfbeschikkingsrecht?”

Een huisarts heeft al een aantal keren een vrouw behandeld vanwege letsel veroorzaakt door geweld van haar vriend. Toen de vrouw weer bij haar kwam heeft de huisarts haar openhartig gezegd dat zij niet gelooft in de medisch onwaarschijnlijke oorzaken die de vrouw voor haar letsel noemt en bij haar aangedrongen op het inschakelen van hulp en/of het verbreken van de relatie. De vrouw wil beslist geen hulp, dat herhaalt ze ook in volgende contacten en de vrouw verbiedt de huisarts uitdrukkelijk met andere instanties te overleggen. De vrouw blijft regelmatig met letsel verschijnen bij de huisarts. Deze vindt dat het zo niet langer kan: de vrouw komt steeds vaker met letsel en dit letsel wordt steeds ernstiger. De vrouw wil nog steeds beslist geen hulp. Een collega raadt de huisarts aan een melding van huiselijk geweld te doen bij Veilig Thuis. De huisarts aarzelt: ze heeft een meldrecht maar ja, zij heeft ook een medisch beroepsgeheim en ze valt onder het tuchtrecht. Bovendien, als ze haar meldrecht al zou mogen gebruiken, de patiënte is een volwassen vrouw die haar eigen keuzes mag maken en hier zijn geen kinderen in het spel.

Lydia zegt:Het meldrecht maakt het ook voor medisch hulpverleners mogelijk zonder toestemming van de patiënt een melding te doen van kindermishandeling en huiselijk geweld bij Veilig Thuis. Wel is van belang dat de huisarts de stappen zet van de meldcode (zie hoofdstuk 4). Dit betekent o.a. dat zij eerst een gesprek voert met de patiënte om haar zorgen (opnieuw) te bespreken en uit te leggen waarom ze meent dat een melding noodzakelijk is.

De tweede vraag van de huisarts is of ze door het doen van een melding in mag grijpen in het leven van een volwassen vrouw die doorgaans goed in staat is haar eigen keuzes te maken. Dit zelfbeschikkingsrecht is inderdaad een groot goed maar het is geen absoluut recht. De huisarts stelt in alle contacten met de vrouw vast dat ze – om welke reden dan ook – niet in staat blijkt te zijn de stappen te zetten die haar beschermen tegen het geweld. Zelfbeschikking, ‘eigen keuze’, zou dan leiden tot doorgaan van het geweld en (in deze casus) toename in ernst. Dit alles maakt dat de huisarts in deze casus kan besluiten een melding te doen.

Casus “Overleg”

Een sociaal werker die signalen heeft van ouderenmishandeling wil overleggen met de huisarts van de cliënt. De sociaal werker wil weten of de huisarts haar zorgen deelt en overleggen wat ze voor de cliënt kunnen doen. De sociaal werker meent dat ze het recht heeft zonder toestemming informatie te delen met de huisarts omdat het signalen van ouderenmishandeling betreft en daarvoor een meldrecht geldt.

Lydia zegt:Dat is niet juist. Het meldrecht geeft de sociaal werker het recht zonder toestemming van de cliënt signalen met Veilig Thuis te delen. Voor overleg en het delen van informatie over een cliënt met andere beroepskrachten heeft de sociaal werker toestemming van de cliënt nodig. Krijgt ze geen toestemming, dan kan het overleg niet plaatsvinden. De sociaal werker zou wel gebruik kunnen maken van het meldrecht als ze meent dat het inschakelen van Veilig Thuis noodzakelijk is voor het beoordelen van de veiligheid of het stoppen van de mishandeling.

Casus “Veiligheidsbeoordeling”

Veilig Thuis benadert een gz-psycholoog met een informatievraag over een van zijn cliënten. In verband met de beoordeling van de veiligheid van de kinderen van de cliënt wil Veilig Thuis meer weten over de behandeling van de cliënt en de vooruitzichten op herstel. De gz-psycholoog zoekt contact met zijn cliënt. Deze geeft hem geen toestemming om informatie over zijn behandeling te delen. De gz-psycholoog twijfelt: hij heeft geen toestemming én de kinderen waar Veilig Thuis zich zorgen over maakt zijn niet zijn cliënten.

Lydia zegt:Het informatierecht geldt ook als de zorgen van Veilig Thuis zich richten op het gedrag van de cliënt dat mogelijk onveilig is voor anderen, zoals de kinderen. Voor het op verzoek delen van informatie met Veilig Thuis heeft de gz-psycholoog geen toestemming nodig van de cliënt.

Casus “Partijdig?”

Een schoolmaatschappelijk werker heeft signalen van kindermishandeling bij een zevenjarige leerling die bij zijn gezaghebbende moeder woont. Hij is al lange tijd in gesprek met de moeder maar aan de situatie verandert niets. Een gesprek met de gezaghebbende vader maakt de schoolmaatschappelijk werker duidelijk dat de vader het in zijn ‘strijd om de omgang’ prima vindt dat de school zich zorgen maakt over de situatie bij de moeder en daarom een melding gaat doen. De moeder wil beslist niet dat een melding wordt gedaan. Uiteindelijk besluit de maatschappelijk werker dat een melding moet worden gedaan bij Veilig Thuis vanwege de structurele verwaarlozing van de jongen. Als hij de locatieleidster informeert over zijn besluit aarzelt de locatieleidster omdat de school geen partij moet kiezen voor een van de ouders want dan is de school voor de leerling geen veilige plek meer.

Lydia zegt:Het streven van de locatieleidster geen partij te kiezen in het conflict van de ouders is te begrijpen maar mag niet leiden tot het passief blijven van de school terwijl een melding noodzakelijk is vanwege de structurele verwaarlozing van de leerling. Feitelijk kiest de school in deze casus overigens geen partij, want de school doet geen melding op verzoek van de vader, maar vanwege de eigen zorgen over de leerling. In deze situatie is een zorgvuldige formulering van de zorgen extra belangrijk zodat de schijn van partijdigheid wordt vermeden. Daarom is het, zoals altijd, belangrijk dat de aandachtsfunctionaris of een deskundige collega meedenkt over de formulering van de melding. Zie voor het delen van gegevens over leerlingen en ouders met de aandachtsfunctionaris paragraaf 6.3.

Casus “Spoed”

Een verpleegkundige in het ziekenhuis wordt aan het eind van de middag gebeld door Veilig Thuis met de vraag of hij betrokken is bij de behandeling van patiënt A. Als de verpleegkundige zegt dat dit het geval is vraagt Veilig Thuis informatie over de patiënt. De verpleegkundige zegt dat dergelijke verzoeken worden beoordeeld door de regiebehandelaar en dat deze morgenochtend weer bereikbaar is. Veilig Thuis benadrukt dat de vragen spoedeisend zijn en dat niet tot morgen kan worden gewacht. De informatie is nú nodig. Veilig Thuis vraagt de verpleegkundige dringend het dossier te openen en op basis daarvan telefonisch antwoord te geven op twee eenvoudige vragen: of signalen in het dossier zijn vastgelegd van mogelijke fysieke mishandeling van de patiënt en wanneer de verwachte ontslagdatum is. De verpleegkundige vraagt zich af wat hij moet doen.

Lydia zegt:De verpleegkundige kan niet ingaan op het verzoek van Veilig Thuis de vragen zelf te beantwoorden, op basis van het dossier. Want dit behoort de regiebehandelaar (of zijn vervanger) te doen. Wat de verpleegkundige wel kan doen, is aan Veilig Thuis vragen waarom de informatie met zoveel spoed moet worden gegeven. Pas als hij daarop een duidelijk antwoord heeft, kan hij beslissen of hij gaat proberen de regiebehandelaar of zijn vervanger te bereiken zodat deze zelf kan beslissen of hij vanavond nog de vragen van Veilig Thuis gaat beantwoorden. Raakt de arts overtuigd dat het voor de veiligheid van de patiënt noodzakelijk is dezelfde avond nog antwoord te geven aan Veilig Thuis, dan is het niet altijd mogelijk de cliënt vooraf te informeren. Lukt dat niet, dan maakt de arts een aantekening in het dossier waarom hij toch heeft besloten Veilig Thuis te informeren en stelt hij de cliënt zo spoedig mogelijk op de hoogte. Zou de arts, vanwege de vereiste spoed, de vragen van Veilig Thuis telefonisch beantwoorden, dan vraagt hij een kopie van het verslag dat Veilig Thuis van het telefoongesprek maakt ter accordering. Deze kopie neemt hij op in het dossier.


  1. Het meldrecht staat in artikel 5.2.6 Wmo. De tekst daarvan luidt: ‘Derden die beroepshalve beschikken over inlichtingen die noodzakelijk kunnen worden geacht om een situatie van huiselijk geweld of kindermishandeling te beëindigen of een redelijk vermoeden daarvan te onderzoeken, kunnen aan Veilig Thuis deze inlichtingen desgevraagd of uit eigen beweging verstrekken zonder toestemming van degene die het betreft en indien nodig met doorbreking van de plicht tot geheimhouding op grond van een wettelijk voorschrift of op grond van hun ambt of beroep’. 

  2. De verplichting de stappen van de meldcode te zetten geldt in het onderwijs, de leerplicht, de gezondheidszorg, de jeugdhulp en jeugdbescherming, de reclassering, de maatschappelijke ondersteuning, de kinderopvang, in justitiële instellingen en bij het COA. 

  3. Dit meldrecht staat in artikel 1:240 BW 

  4. Het meldrecht en de informatieplicht t.o.v. de gezinsvoogd staat in artikel 7.3.11 lid 4 Jeugdwet. 

Conflict van plichten

Het wettelijk meldrecht dat in hoofdstuk 3 werd beschreven, geldt alleen voor het delen van informatie met Veilig Thuis. Soms is het voor het beschermen van de cliënt noodzakelijk informatie met een andere beroepskracht of instantie te delen. Daarvoor is toestemming nodig van de cliënt. Krijg je geen toestemming dan kun je als regel geen informatie delen. Maar voor noodsituaties geldt een uitzondering. Daarover gaat dit hoofdstuk.

Botsende plichten

Het toestemmingsvereiste voor het delen van informatie is niet absoluut. Al heel lang wordt door (tucht)rechters en klachtencommissies erkend dat een beroepskracht in bijzondere situaties kan beslissen informatie te delen, ook al heeft hij daarvoor geen toestemming van de cliënt. Het gaat om situaties waarin de beroepskracht vindt dat hij moet spreken omdat hij alleen zo de veiligheid of de gezondheid van zijn cliënt of een ander kan beschermen.

Een boze en opgewonden patiënt toont zijn hulpverlener aan het einde van het gesprek een wapen. Hij kondigt aan dat hij daarmee nu meteen zijn ex-vriendin om het leven gaat brengen. Het lukt de hulpverlener niet om de man tegen te houden en hij schat in dat er een aanzienlijk risico is dat de cliënt zijn plannen daadwerkelijk zal uitvoeren.

In deze situatie zit de hulpverlener klem tussen twee met elkaar botsende plichten: de plicht te zwijgen vanwege het beroepsgeheim en de plicht om te spreken vanwege de ernstige schade die kan ontstaan door te zwijgen. Zo’n situatie wordt een conflict van plichten genoemd. In een dergelijke situatie kan de hulpverlener zijn beroepsgeheim verbreken en bijvoorbeeld de politie waarschuwen.

Voorwaarden voor een beroep op een conflict van plichten

De mogelijkheid om zonder toestemming informatie te delen op grond van een conflict van plichten kun je zien als een noodrem. Alleen in uitzonderlijke situaties kun je met een beroep op een conflict van plichten informatie delen. Dat blijkt ook uit de voorwaarden die daarvoor gelden:

Belangen van een ander dan de cliënt

Bij je afweging staan de belangen van de cliënt voorop, al is het denkbaar dat andere belangen de doorslag geven. Bijvoorbeeld als een (kwetsbare) persoon moet worden beschermd tegen agressief of gewelddadig gedrag van de cliënt.

Collegiaal advies

Je bespreekt je afweging eerst met een aandachtsfunctionaris en/of met een collega. Je hoeft het niet met elkaar eens te worden. Doel van de collegiale consultatie is dat je door de vragen van je collega nog een keer kritisch kijkt naar je besluit. Probeer ook in situaties waarin je snel moet handelen met een collega te overleggen, want vooral als je onder tijdsdruk staat is het goed dat je even een pas op de plaats maakt voor collegiaal overleg voordat je tot handelen over gaat. Is dat echt niet mogelijk dan handel je zonder collegiaal overleg. Maak ik dat geval een aantekening in je dossier waarom het niet mogelijk was collegiaal advies te vragen.

Informeren cliënt

Ook al heb je geen toestemming van de cliënt voor het delen van de informatie, je behoort hem wel te informeren zodat hij weet met wie welke informatie is gedeeld. Het informeren van je cliënt kun je alleen tijdelijk uitstellen als je concrete aanwijzingen hebt dat door het nu informeren van je cliënt een aanzienlijk risico ontstaat voor de veiligheid van de cliënt, van jezelf of van een ander.

Vastleggen van het besluit

Het besluit om zonder toestemming informatie te delen leg je zorgvuldig vast in het dossier/registratiesysteem zodat duidelijk is:

Verschil meldrecht en conflict van plichten

Het conflict van plichten en het wettelijk meldrecht dat in hoofdstuk 3 werd besproken, maken het beide mogelijk om zonder toestemming van de cliënt informatie te delen vanwege kindermishandeling of huiselijk geweld. Het meldrecht is gericht op het delen van informatie met Veilig Thuis, het conflict van plichten richt zich op het delen van informatie met andere beroepskrachten en organisaties. Een verschil is ook dat er bij een conflict van plichten sprake moet zijn van een (dreigende) noodsituatie. Bij het meldrecht kan een professional, ook zonder noodsituatie, informatie delen met Veilig Thuis over signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling. Bovendien biedt de meldcode (zie hoofdstuk 4) beroepskrachten duidelijkheid hoe zij met het meldrecht om behoren te gaan.

Casus “Naar het buitenland”

Een vader (zonder gezag) heeft al jaren geen contact met zijn dochter (12) omdat haar gezaghebbende moeder dit contact op alle mogelijke manieren tegenhoudt. De vader is in zijn wanhoop van plan het meisje morgen op te wachten bij school en haar dan mee te nemen naar zijn geboorteland. De man vertelt aan zijn hulpverlener dat hij geen nieuwe afspraak kan maken omdat hij morgen met zijn kind naar zijn geboorteland vertrekt. Als de man merkt dat de hulpverlener schrikt en probeert hem zijn plannen uit het hoofd te praten, zegt de man dat het alleen maar een grapje was en dat hij zoiets natuurlijk niet zal doen.

De hulpverlener is daar niet van overtuigd. Hij denkt dat de kans vrij groot is dat de man zijn plannen morgen uitvoert. De hulpverlener vraagt zich af wat hij kan doen.

Lydia zegt:Vanwege het risico op ernstige schade voor de dochter van de cliënt kan de hulpverlener besluiten de politie te informeren om zo een mogelijke ontvoering te voorkomen. Voordat de hulpverlener een besluit neemt, legt hij zijn inschatting en zijn afweging voor aan de aandachtsfunctionaris en/of een ervaren collega. In het algemeen geldt dat een hulpverlener die zonder toestemming informatie over zijn cliënt met een derde deelt, zijn cliënt hierover behoort te informeren. In deze casus is het goed voorstelbaar dat de hulpverlener besluit zijn cliënt (voorlopig) niet te informeren om zo te voorkomen dat de man daarna halsoverkop met zijn dochter naar het buitenland vertrekt. De hulpverlener maakt een aantekening over zijn afwegingen de geheimhouding te doorbreken en beschrijft ook in het dossier wie hij daarover vooraf advies heeft gevraagd, hoe dit advies luidde, welke informatie hij aan de politie heeft verstrekt en wat de reden is dat hij de cliënt (nog) niet heeft geïnformeerd.

Meldcode

Hoe ga je als beroepskracht zorgvuldig om met het meldrecht dat in hoofdstuk 3 wordt beschreven. Hoe meld je de signalen van kindermishandeling en huiselijk geweld zo dat je het vertrouwen van je cliënt houdt? De vijf stappen van de meldcode helpen je daarbij. Veel beroepskrachten zijn verplicht om het stappenplan van de meldcode te gebruiken als zij een vermoeden hebben dat hun cliënt betrokken is bij kindermishandeling of huiselijk geweld. De stappen van de meldcode gidsen beroepskrachten door het proces vanaf het moment van signaleren tot aan het besluit of een melding moet worden gedaan en of (ook) hulp in gang kan worden gezet.

Ontwikkelen van een eigen protocol meldcode

Organisaties en instellingen in veel sectoren zijn verplicht een eigen protocol meldcode vast te stellen. De kern van iedere meldcode bestaat uit vijf stappen die een beroepskracht zet als hij signalen heeft van huiselijk geweld of kindermishandeling. Deze vijf stappen liggen vast in de wet.22 Daarnaast moet de organisatie in het eigen protocol meldcode beschrijven welke medewerkers binnen de instelling de stappen van de meldcode zetten, welke medewerker verantwoordelijk is voor het doen van de melding, welke instructies gelden voor de Kindcheck (zie paragraaf 5.2) en wie binnen de organisatie als deskundigen kunnen worden geraadpleegd. Met het ontwikkelen van een eigen protocol meldcode wordt de meldcode op maat gemaakt van de betreffende organisatie zodat duidelijk is wat van de verschillende medewerkers in de organisatie wordt verwacht bij signalen van huiselijk geweld en kindermishandeling.

Kennis en gebruik bevorderen

De wet verplicht organisaties en instellingen niet alleen een eigen protocol meldcode te hebben, zij moeten ook de kennis en het gebruik van de meldcode bij de medewerkers bevorderen door bekendheid te geven aan de meldcode en voor voldoende scholing en ondersteuning te zorgen. Veel organisaties werken met aandachtsfunctionarissen, die als taak hebben de meldcode op de agenda te houden door over beleid te adviseren, nascholing te organiseren en medewerkers te ondersteunen bij het zetten van de stappen van de meldcode. Meer over de aandachtsfunctionaris staat in hoofdstuk 6.

De verplichting een meldcode vast te stellen en het gebruik te bevorderen geldt voor de sectoren23:

De meldcode geldt ook voor vrij gevestigde beroepskrachten die vallen onder (artikel 3 of artikel 34 van) de Wet BIG, zoals artsen, fysiotherapeuten, gz-psychologen, tandartsen, verloskundigen, diëtisten en logopedisten.

Verplicht gebruik van de meldcode

Beroepskrachten van organisaties en instellingen die onder de Wet verplichte meldcode vallen, zijn verplicht de stappen van de meldcode te zetten bij signalen van huiselijk geweld en kindermishandeling.24 De verplichting om de stappen te zetten geldt bij alle cliënten, patiënten of leerlingen die in Nederland wonen, ongeacht hun nationaliteit of het al dan niet hebben van geldige verblijfspapieren.

De meldcode en het meldrecht richten zich op kindermishandeling en huiselijk geweld in de huiselijke kring van de cliënt.

Geweld van een zorgverlener ten opzichte van een cliënt en geweld tussen cliënten onderling, valt buiten de reikwijdte van de meldcode. Bestuurders van zorgaanbieders zijn verplicht dit type geweld te melden bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd.25 Eenzelfde regeling geldt voor geweld in de jeugdhulpverlening26 en voor geweld in de maatschappelijke ondersteuning.27

Geweld in het onderwijs valt eveneens buiten de reikwijdte van de meldcode. Medewerkers in het onderwijs zijn verplicht een melding te doen bij het bestuur van de school als zij weten of redelijkerwijs vermoeden dat een andere medewerker van de school ontucht of seksueel misbruik pleegt met een minderjarige leerling. Het bestuur van de school is vervolgens verplicht te overleggen met de vertrouwensinspecteur van de Inspectie van het Onderwijs. Dit overleg is bedoeld te beoordelen of inderdaad een redelijk vermoeden bestaat van seksueel misbruik of ontucht. In dat geval is het bestuur van de school verplicht aangifte van het zedenmisdrijf te doen bij de politie.28 De kinderopvang kent eenzelfde meld- en aangifteplicht.29

De stappen van de meldcode

Stap 1: In kaart brengen van signalen

Stap 2: Collegiale consultatie

Stap 3: In gesprek met betrokkene(n) en indien van toepassing met kind

Stap 4: Weeg de aard en ernst van het geweld

Stap 5: Beslissen met veilig Thuis

  1. Is melden noodzakelijk?
  2. Is hulp inzetten of organiseren (ook) mogelijk?

Let op!

Omdat de aanpak van eergerelateerd geweld een specifieke aanpak vraagt, zet je bij vermoedens van dit type geweld niet meteen de stappen van de meldcode, maar zoek je meteen contact met Veilig Thuis dat een beroep kan doen op het Landelijk Expertise Centrum Eergerelateerd Geweld.

Stap 1: Breng de signalen in kaart
Kindcheck

De Kindcheck is een gestandaardiseerde controle door een beroepskracht of een cliënt (mede) de zorg heeft voor minderjarige kinderen. De controle is gericht op de veiligheid van deze kinderen. Bijvoorbeeld als een cliënt wordt gezien in verband met ernstige verslavingsverschijnselen, ernstige psychische problemen, alcoholvergiftiging, zwangerschap, of een suïcidepoging. In al deze gevallen is het voor de veiligheid van mogelijke kinderen van belang dat de beroepskracht onderzoekt of de cliënt de zorg heeft voor kinderen en wie voor hen zorgt nu de cliënt daartoe niet in staat is.

Op basis van de Kindcheck kan een professional, de stappen van de meldcode volgend, besluiten een melding te doen vanwege de zorgen over de veiligheid van kinderen die niet zijn cliënt zijn en die hij ook niet kent. De aanleiding voor de melding is in geval van de Kindcheck de ernstige situatie van de cliënt die voor deze kinderen zorgt.

Let op!

Ook al staat het niet in de wet, als je signalen hebt van huiselijk geweld of kindermishandeling bij je cliënt, is het – voor zover dat mogelijk voor je is – aan te raden om na te gaan hoe het staat met de veiligheid van andere leden van het huishouden. Wellicht is ook voor hen hulp nodig of moet er een melding bij Veilig Thuis worden gedaan.

Mantelzorgverleningscheck

De KNMG Meldcode kent een mantelzorgverleningscheck. Dit wil zeggen dat de arts onderzoekt of de cliënt de mantelzorger is van huisgenoten of andere personen, dit met het oog op hun veiligheid. De check wordt uitgevoerd als door de situatie van de cliënt een verhoogd risico bestaat voor de veiligheid van de persoon voor wie de cliënt mantelzorger is. Bijvoorbeeld als de cliënt depressief is, zwaar overbelast lijkt te zijn, of met verslavingsproblemen kampt.

Je cliënt kan ook de persoon zijn die mantelzorg ontvangt. Deze mantelzorg kan leiden tot overbelasting van de mantelzorgverlener. Zo is bekend dat jonge kinderen die mantelzorger moeten zijn voor een ouder hier langdurig schade van kunnen ondervinden met gevolgen tot ver in hun volwassen leven. Ook andere mantelzorgers, zoals vrouwen die de zorg voor hun kinderen moeten combineren met hun werk en de zorg voor een vader of moeder en hoogbejaarde mannen en vrouwen die voor hun partner moeten zorgen kunnen overbelast raken. Dit kan leiden tot schade voor hen zelf én tot schadelijk gedrag voor de mantelzorgontvanger.

Andere kinderen in het gezin

Als een beroepskracht zorgen heeft over de veiligheid van een kind in het gezin, is het van belang dat de beroepskracht onderzoekt of de situatie voor eventuele andere leden van het gezin mogelijkerwijs ook onveilig is.

Getuige zijn van huiselijk geweld

Als kinderen getuige zijn van huiselijk geweld tussen hun ouders of tussen andere huisgenoten, is dat veelal zo schadelijk voor deze kinderen, dat dit wordt gezien als een vorm van kindermishandeling.

Dierenmishandeling

In gezinnen waar kindermishandeling of huiselijk geweld plaats vindt, kan ook sprake zijn van dierenmishandeling. Overleg met een aandachtsfunctionaris of met een deskundige collega waar je advies kunt vragen voor een goede aanpak. Omgekeerd komt in gezinnen waar dieren worden mishandeld, vaker dan gemiddeld ook kindermishandeling of huiselijk geweld voor.

Stap 2: Overleg met een deskundige collega of met Veilig Thuis

Let op!

KNMG Meldcode: In stap 2 is overleg met een deskundige collega én overleg met (bij voorkeur een vertrouwensarts van) Veilig Thuis verplicht.

Stap 3: Ga in gesprek met de cliënt

Een gesprek met de cliënt is een wezenlijk onderdeel van de meldcode omdat je daardoor beter zicht krijgt op de betekenis van je signalen of vermoedens. Bovendien is een open werkwijze een voorwaarde om het vertrouwen van cliënten te houden.

Ook met het kind spreken

Ga bij signalen van kindermishandeling in gesprek met het kind, ook als dit nog heel jong is. Stem wat je bespreekt en hoe je dat doet af op de leeftijd en de ontwikkeling van het kind. Vertel wat er aan de hand is, zoek uit wat het kind van de situatie vindt en wat hij in deze situatie graag zou willen. Betrek het kind ook bij je volgende stappen.

Geen gesprek

Stap 3 overslaan en geen gesprek voeren met de cliënt is alleen bij wijze van hoge uitzondering mogelijk. Dit kan alleen bij:

Vraag voordat je besluit om stap 3 over te slaan, altijd advies aan de aandachtsfunctionaris én aan Veilig Thuis.

Cliënt onbereikbaar

Kun je een cliënt niet bereiken? In dat geval wordt van je gevraagd om een paar stappen extra te zetten om de cliënt alsnog te bereiken. Probeer contact te krijgen op verschillende dagen en tijden en op verschillende manieren (app, mail, telefoon, brief, huisbezoek). Afhankelijk van de ernst van de signalen zul je soms wel en soms niet kunnen besluiten een of twee weken te wachten en opnieuw te proberen contact met de cliënt te krijgen.

Overleg met de aandachtsfunctionaris, of met een deskundige collega, of je voldoende hebt gedaan om de cliënt te bereiken. Ga dan verder met stap 4. Leg in je dossier welke contactpogingen je hebt gedaan.

Stap 4: Weeg de aard en ernst van het geweld

Let op!

KNMG meldcode: Indien nodig overleg met professional, het afwegingskader wordt gebruikt in stap 5.

Afwegingskaders

Afwegingskaders ondersteunen beroepskrachten bij het wegen van de aard en de ernst van het geweld in stap 4 en bij de beslissingen die bij stap 5 moeten worden genomen. Beroepsgroepen en sectoren ontwikkelden eigen afwegingskaders die gezien worden als een binnen de beroepsgroep geldende richtlijn.

Voor richtlijnen - en daarmee voor het afwegingskader - geldt: ‘pas toe, of leg uit’. Dit wil zeggen dat je als beroepskracht gebonden bent aan het afwegingskader van je eigen beroepsgroep of sector. Meen je dat je bij wijze van hoge uitzondering in een casus af moet wijken van het afwegingskader, overleg dan vooraf met de aandachtsfunctionaris. Vraag ook advies aan Veilig Thuis. Motiveer in je dossier zorgvuldig waarom je afgeweken bent van het afwegingskader en wie je daarover vooraf hebt geraadpleegd en wat de inhoud was van de gegeven adviezen.

Iedere beroepsgroep en sector heeft een eigen afwegingskader ontwikkeld om goed in te kunnen spelen op de signalen die in de betreffende beroepsgroep worden gezien. Zo ziet een docent doorgaans andere signalen dan bijvoorbeeld een jeugdarts, die weer andere signalen ziet dan een sociaal werker of een medewerker in de ouderenzorg.

Alle afwegingskaders bestaan uit de volgende vijf vragen:

  1. Heb ik op basis van stap 1 tot en met 4 (nog steeds) een vermoeden van huiselijk geweld of kindermishandeling?

Zo nee, dossier afsluiten.

  1. Schat ik op basis van stap 1 tot en met 4 in dat sprake is van acute of structurele onveiligheid

Zo ja, doe dan een melding.

  1. Kan ik effectieve hulp bieden of organiseren en kan ik de effecten van de hulp monitoren?

Zo nee, doe dan een melding.

  1. Accepteren de betrokkenen de hulp?

Zo nee, doe dan een melding.

  1. Leidt deze hulp binnen een aanvaardbare termijn tot duurzame veiligheid?

Zo nee, doe dan een melding.

Op basis van deze vragen is volgens de afwegingskaders in de verschillende beroepsgroepen de professionele norm dat melden in de volgende gevallen noodzakelijk is:

Acute onveiligheid

Bij acute onveiligheid is iemand in direct fysiek gevaar en is zijn veiligheid de komende uren en dagen niet gegarandeerd. Daarom heeft de cliënt direct bescherming nodig. Voorbeelden: ernstig fysiek letsel, geweld waarbij een wapen is gebruikt, seksueel misbruik, fysiek geweld tijdens een zwangerschap, zeer ernstig verwaarlozen en zorg onthouden waardoor acute gezondheidsrisico’s ontstaan.

Acute onveiligheid bij disclosure

Disclosure wil zeggen dat een slachtoffer uit zichzelf aan een beroepskracht hulp vraagt of vertelt over huiselijk geweld of kindermishandeling waar hij als slachtoffer bij betrokken is. Een disclosure betekent vaak dat het slachtoffer een acute crisis ervaart en voor zijn veiligheid of die van anderen vreest. In dat geval kan sprake zijn van een acuut onveilige situatie waarbij het doen van een melding is aangewezen. In extreme situaties kan het zelfs nodig zijn ter plekke (al dan niet met het slachtoffer samen) 112 te bellen.

Structurele onveiligheid

Bij structurele onveiligheid is sprake van een terugkerende of voortdurende onveilige situatie. Voorbeelden: ouderen die afhankelijk zijn van een mantelzorger die door overbelasting onvoldoende veiligheid kan bieden, kinderen die opgroeien bij ouders met zodanige beperkingen of stoornissen dat zij de ontwikkeling van hun kinderen ernstig bedreigen, kinderen die regelmatig getuige zijn van huiselijk geweld tussen volwassenen en structureel (eventueel escalerend) geweld tussen (ex-)partners.

Stap 5: Beslis: is melden nodig? Is hulp nodig?

Met behulp van de weging van stap 4 kom je in stap 5 tot twee besluiten:

Afweging 1: Is melden noodzakelijk?

Afweging 2: Is hulp inzetten of het organiseren (ook) mogelijk?

Let op!

Voordat je een melding doet stel je de cliënt op de hoogte van de inhoud van de melding en bespreek je deze met hem. Het informeren van de cliënt kan alleen achterwege blijven bij concrete aanwijzingen dat dit informeren kan leiden tot ernstige veiligheids- of gezondheidsrisico’s voor de cliënt, zijn gezinsleden of voor jezelf en je collega’s.

Meldrecht, geen meldplicht

Stap 5 maakt duidelijk dat beroepskrachten bij vermoedens van huiselijk geweld en kindermishandeling geen meldplicht maar een meldrecht hebben. Zij zijn wel verplicht de stappen van de meldcode te zetten. Op basis van de informatie die beroepskrachten bij het zetten van de stappen krijgen, beantwoorden zij de vragen van het afwegingskader en komen zo tot een besluit over het al dan niet doen van een melding en over het al dan niet (ook) organiseren van hulp.

Volgorde van de stappen

In de meldcode worden de vijf stappen schematisch beschreven. De werkelijkheid verloopt vaak wat minder schematisch. Soms zullen meer gesprekken met de cliënt, of vaker advies van Veilig Thuis nodig zijn. Essentieel is dat alle stappen minstens eenmaal zijn gezet voordat de beroepskracht een melding doet.

Stappen overslaan bij acuut gevaar

Bij acuut gevaar voor de cliënt of voor anderen, bijvoorbeeld bij dreigende femicide, kunnen stappen van de meldcode worden overgeslagen en kan meteen contact worden gezocht met Veilig Thuis, of via 112 met de politie als het voor het beschermen van de cliënt of voor anderen nodig is dat de politie direct ingrijpt.

Hoewel het ook in deze situaties gewenst is dat de beroepskracht de cliënt vooraf informeert over zijn stappen, is dat in verband met de veiligheid soms niet mogelijk. Vooral als je onder hoge tijdsdruk besluiten moet nemen is het belangrijk om deze besluiten vooraf toch kort te toetsen bij de aandachtsfunctionaris of bij een deskundige collega. Is er geen tijd, of is er binnen de beperkte tijd niemand bereikbaar voor overleg, dan ga je verder zonder overleg.

Sla je stappen over vanwege acuut gevaar beschrijf dan in het dossier op basis van welke concrete aanwijzingen van acuut gevaar je stappen overslaat en wie je vooraf advies hebt gevraagd of waarom het vragen van advies niet mogelijk was.

Ondersteuning door de aandachtsfunctionaris

Veel organisaties hebben een of meer aandachtsfunctionarissen in dienst die de medewerkers ondersteunen bij het zetten van de stappen van de meldcode en bij alle afwegingen bij deze stappen. De aandachtsfunctionaris kan ook helpen bij het formuleren van een melding. Is binnen de organisatie geen aandachtsfunctionaris werkzaam, dan kan een beroep worden gedaan op een ervaren en deskundige collega.

Ondersteuning door Veilig Thuis

Zijn na intern overleg nog twijfels aanwezig of is behoefte aan extra deskundigheid, dan kun je altijd advies vragen aan Veilig Thuis. Dit advies wordt gevraagd en gegeven op basis van anonieme cliëntgegevens.

Vastleggen van de stappen

Aantekeningen over de stappen van de meldcode worden vastgelegd in het cliënt- patiënt- kind- of leerlingdossier. In paragraaf 7.3 wordt per stap beschreven welke informatie moet worden vastgelegd.

Inhoud van de melding

In de melding beschrijf je de feiten en gebeurtenissen die aanleiding zijn voor de melding. Wees daarin volledig, dit wil zeggen dat je ook de feiten en gebeurtenissen beschrijft die je vermoedens weerspreken. Is een deel van je informatie van anderen afkomstig, vermeld daarbij dan de bron en vraag vooraf toestemming aan je bron deze informatie te mogen delen.

Maak in de melding duidelijk of je de inhoud vooraf hebt kunnen bespreken met je cliënt en zo niet, waarom niet. Vermeld, als dit het geval is, of je ook met andere betrokkenen dan de cliënt contact over de melding hebt gehad. Is er geen contact geweest met andere betrokkenen, daar waar dit gelet op de casus wel voor de hand had gelegen, beschrijf dan waarom dit niet mogelijk was.

Staat er belastende informatie in de melding over een persoon ( ‘ex-partner stalkt cliënt al enige maanden’), vermeld dan van wie deze belastende informatie afkomstig is en of je de persoon die wordt ‘belast’ een reactie hebt kunnen vragen op de negatieve informatie over hem.

Niet zo:

Cliënt toont letsel op haar armen en in haar gezicht. Zij wordt minstens eens per week in elkaar geslagen door haar vriend. Dit gebeurt meestal na een avondje uit met vrienden.

Maar zo:

Cliënt toont letsel op haar armen en in haar gezicht. Zij zegt dat zij regelmatig in elkaar geslagen wordt door haar vriend en dat dit meestal gebeurt na het wekelijkse avondje stappen met zijn vrienden. Ik heb de vriend hierover niet gesproken omdat cliënt vanwege haar veiligheid beslist niet wilde dat ik contact zocht met haar vriend.

Let op!

De inhoud van de melding kan door Veilig Thuis zo nodig worden gedeeld, bijvoorbeeld met andere betrokken hulpverleners, de Raad voor de Kinderbescherming, een gecertificeerde instelling (jeugdbescherming), politie, Openbaar Ministerie of rechtbank. Veilig Thuis hoeft daarvoor geen toestemming te vragen aan de melder.

Relatie beroepsgeheim, meldrecht en meldcode

Het beroepsgeheim van hulpverleners zorgt dat de drempel tot hulp, zorg en ondersteuning laag is: cliënten kunnen vertrouwen dat wat de beroepskracht van hen weet, zonder hun toestemming niet met anderen wordt gedeeld.

Het meldrecht maakt inbreuk op het beroepsgeheim want beroepskrachten kunnen zonder toestemming van de cliënt signalen van huiselijk en kindermishandeling bij Veilig Thuis neerleggen. Deze inbreuk op het beroepsgeheim is noodzakelijk om cliënten te beschermen tegen huiselijk geweld en kindermishandeling.

Het verplicht gebruik van de meldcode zorgt dat beroepskrachten zorgvuldig omgaan met het meldrecht. De meldcode vraagt van beroepskrachten stap voor stap tot een afweging te komen over het al dan niet doen van een melding. Kern van de meldcode is de openheid die van de beroepskracht wordt gevraagd ten opzichte van cliënten over de signalen en de zorgen. Zo bezien is de meldcode een waarborg voor cliënten dat met hen gesproken wordt voordat de beroepskracht besluit of een melding noodzakelijk is. Deze openheid is een belangrijk instrument om het vertrouwen van cliënten in beroepskrachten te behouden, vooral in situaties, zoals bij het meldrecht, dat informatie kan worden gedeeld zonder hun toestemming.

Vrijwilligers en het zetten van de stappen van de meldcode

Het zetten van de verschillende stappen van de meldcode vraagt professionele kennis en ervaring. Bijvoorbeeld om signalen te duiden, in gesprek te gaan met cliënten en hun vertegenwoordigers over de signalen en een afweging te maken over het al dan niet doen van een melding. Daarom geldt het verplicht gebruik van de meldcode alleen voor beroepskrachten.

Als een organisatie (ook) met vrijwilligers werkt, kan deze organisatie in het protocol meldcode opnemen wat van vrijwilligers verwacht wordt als zij huiselijk geweld of kindermishandeling signaleren. Geadviseerd wordt in het protocol meldcode functionarissen aan te wijzen als aanspreekpunt voor de vrijwilligers waar zij met hun signalen terecht kunnen en die het zetten van de vervolgstappen van de vrijwilligers overnemen.

Casus “Laat ons hier buiten”

De school heeft het vermoeden dat een leerling slachtoffer is van kindermishandeling maar wil zelf zo min mogelijk te maken hebben met deze zaak om het vertrouwen te houden van de ouders en te voorkomen dat ze hun kind van de school weghalen. Daarom besluit de school bij stap 3 geen gesprek met de ouders en met de leerling te voeren en aan Veilig Thuis te vragen de ouders niet te vertellen van wie de melding afkomstig is.

Lydia zegt:Het is positief dat de school actie onderneemt de kindermishandeling te stoppen door een melding te doen. Maar van beroepskrachten wordt meer verwacht. De school moet de stappen van de meldcode zetten en bij stap 3 in gesprek gaan met de ouders en met de leerling over de zorgen en signalen. De aandachtsfunctionaris en Veilig Thuis kunnen adviseren hoe de school een dergelijk gesprek zo kan voeren dat zoveel mogelijk wordt voorkomen dat de ouders zich afgewezen voelen. Na het gesprek met de ouders beslist de school bij stap 4 en 5 met behulp van het afwegingskader of het doen van een melding noodzakelijk is en hoe de school het kind verder zo optimaal mogelijk kan begeleiden in samenwerking met de ouders en zo nodig met externe hulp. Is het doen van een melding noodzakelijk, dan informeert de school de ouders vooraf over de inhoud van de melding.

Casus “Anoniem blijven”

Een instelling voor maatschappelijk werk wil een melding doen van ouderenmishandeling. De instelling heeft het vermoeden dat hun cliënt, de zoon van een 88-jarige vrouw, financieel misbruik pleegt t.o.v. zijn moeder. De instelling wil de garantie dat de cliënt niet hoort van wie de melding afkomstig is. De instelling wil anoniem blijven vanwege mogelijke agressie van de cliënt.

Lydia zegt:Het is alleen in zeer uitzonderlijke situaties mogelijk bij stap 3 geen gesprek te voeren met de cliënt en als professionele melder anoniem te blijven t.o.v. de cliënt. De melder moet dan concrete aanwijzingen hebben, bijvoorbeeld op basis van eerder gedrag van de cliënt, dat het bekendmaken van de identiteit van de melder voor de medewerkers of voor anderen tot ernstige veiligheidsrisico’s leidt. Zijn dergelijke aanwijzingen niet aanwezig, dan moet de instelling het gesprek over het vermoeden van financieel misbruik toch aan gaan. De aandachtsfunctionaris en Veilig Thuis kunnen adviseren over de wijze waarop zo’n gesprek kan worden gevoerd. Misschien is een gesprek thuis bij de cliënt niet voldoende veilig maar een gesprek op het kantoor van de instelling, wel? En wellicht is het zinvol het gesprek samen met een collega te voeren?

Casus “Kindcheck?”

Een hulpverlener heeft contact met een cliënt die na een ongeval hersenletsel heeft opgelopen. Door het hersenletsel heeft de cliënt problemen met agressieregulatie. Hij is door het ongeluk zijn werk kwijtgeraakt en drinkt, naar eigen zeggen, meer dan goed voor hem is. De hulpverlener heeft de cliënt in het kader van de Kindcheck gevraagd of hij kinderen heeft en wie voor hen zorgt. De man blijkt gescheiden te zijn en drie minderjarige kinderen te hebben. Deze kinderen wonen bij hun moeder. De cliënt ziet hen af en toe bij hun moeder thuis. De hulpverlener vraagt zich af of ze in het kader van de Kindcheck een melding moet doen.

Lydia zegt:De hulpverlener heeft terecht de Kindcheck uitgevoerd. Nu blijkt dat zijn ex-vrouw voor de kinderen zorgt en dat ook de contacten tussen de cliënt en zijn kinderen bij zijn ex-vrouw plaatsvinden, heeft de hulpverlener op basis van de huidige gegevens geen reden over de kinderen een melding te doen. Dit zou anders zijn als de kinderen bij de man wonen en de beroepskracht inschat dat hij, in de situatie waarin hij nu verkeert, niet in staat is zijn kinderen voldoende veiligheid en zorg te bieden of als de beroepskracht van de cliënt hoort over incidenten bij de contacten met de kinderen en zijn ex-vrouw.

Casus “Melding nodig?”

In gesprekken met een leerling met wie het de laatste maanden niet goed gaat, hoort de docent over spanningen thuis vanwege ruzie tussen haar ouders. De docent gaat in gesprek met de ouders. Daardoor realiseren de ouders zich wat de spanningen en het geruzie met hun dochter doen. De docent brengt de ouders, met hun toestemming, in contact met het schoolmaatschappelijk werk waar wordt gekeken hoe het gezin kan worden geholpen. De docent vraagt zich af of hij verplicht is een melding bij Veilig Thuis te doen.

Lydia zegt:Voor signalen van kindermishandeling en huiselijk geweld geldt geen meldplicht. Wel is de docent verplicht de stappen van de meldcode te zetten. Bij stap 1 legt hij de signalen vast die hij bij het meisje ziet waaruit blijkt dat het niet zo goed met haar gaat. Ook maakt hij een aantekening van de gesprekken die hij met haar voerde. In zijn aantekeningen schrijft hij dat hij de ruzies niet zelf hoorde of zag maar dat de leerling hem hierover vertelde. Vervolgens voert hij in stap 3 een gesprek met de ouders, ook daarvan maakt hij een aantekening in het dossier. Daarna moet hij in stap 4 en 5, met behulp van het afwegingskader, beslissen of hij een melding doet. Nu geen sprake lijkt te zijn van acute of structurele onveiligheid én de ouders open staan voor schoolmaatschappelijk werk lijkt een melding op dit moment niet nodig. Wel is van belang dat de docent en het schoolmaatschappelijk werk in de gaten houden of de ingezette hulp voldoende helpt om de ruzies te stoppen en het beter gaat met de leerling.

Casus “Wil jij de melding doen?”

De BSO heeft veel zorgen over de verwaarlozing van een achtjarige tweeling. De ouders kunnen de opvoeding en verzorging niet aan, mede door de schrijnende armoede waarin het gezin leeft. De BSO vindt het belangrijk dat de ouders zich welkom voelen en open over hun zorgen kunnen spreken. Toch meent de BSO dat een melding moet worden gedaan omdat de kinderen ernstige schade lijden door de fysieke en emotionele verwaarlozing. De BSO bespreekt de signalen van verwaarlozing met de jeugdgezondheidszorg en vraagt de jeugdarts de melding te doen zodat de band tussen de ouders en de BSO goed blijft en de BSO voor de kinderen een fijne plek kan blijven. De jeugdarts aarzelt. Ze meent dat de signalen van de BSO reden zijn voor grote zorgen en ze begrijpt ook het dilemma van de BSO. Je wilt niet dat de ouders hun kinderen weghalen bij de BSO, maar ja…

Lydia zegt:Hoewel de wens van de BSO begrijpelijk is, kan het doen van een melding niet aan (een beroepskracht van) een andere organisatie worden overgedragen. De meldcode verplicht iedere professional/organisatie op basis van de eigen signalen of vermoedens de stappen van de meldcode te zetten en zelf zo nodig een melding te doen. Voor behoud van vertrouwen van de ouders is het belangrijk dat de BSO de juiste toon treft in het gesprek met de ouders zodat zij zich niet afgewezen voelen maar ervaren dat de BSO hen in hun moeilijke situatie wil ondersteunen.

Casus “Privé tussen man en vrouw?”

De kinderopvang merkt dat een vrouw regelmatig gebeld wordt door haar vriend tijdens de korte momenten van het halen en brengen van haar baby. De vrouw lijkt zich dan te moeten verantwoorden: ze legt uit waar ze is, waarom ze iets later is dan anders en waar ze daarna naar toe gaat. De vrouw oogt nerveus bij deze gesprekken. In de loop van de weken nemen de telefoongesprekken toe; geen haal- of brengmoment gaat voorbij zonder telefoontje van de vriend en bovendien belt de vriend nu ook af en toe naar de kinderopvang of z’n vriendin al is geweest om de kinderen op te halen. De vrouw lijkt steeds nerveuzer te worden. De leidsters vinden het gedrag van de man bijzonder en ze begrijpen niet dat de vrouw dit van haar vriend accepteert. Eén van de leidsters vraagt zich af of ze iets moeten met dit gedrag, De andere leidsters menen dat het een privézaak is tussen man en vrouw. Zo lang de baby hier niet onder lijdt – en die doet het goed op de opvang – is dit geen zaak van de kinderopvang.

Lydia zegt:Het belgedrag kan worden gezien als een signaal van mogelijke dwingende controle. Dit is een vorm van huiselijk geweld. De kinderopvang heeft niet alleen een taak bij signalen van kindermishandeling maar ook bij vermoedens van huiselijk geweld. De leidsters bespreken de signalen met de aandachtsfunctionaris die het zetten van de stappen van de meldcode van hen overneemt.30

Casus “Is melden nodig?”

In een huishouden van een kleinzoon (23), een moeder (46) en een oma (73) is de verhouding tussen de kleinzoon en de oma ronduit slecht. Oma heeft op alles wat de jongen doet kritiek en dat vertelt ze hem voortdurend. De zaak loopt uiteindelijk uit de hand: na weer een tirade van oma geeft de jongen zijn grootmoeder een klap in haar gezicht. Oma is woedend en vertelt haar verhaal aan de wijkverpleegkundige met wie ze wekelijks contact heeft. De wijkverpleegkundige hoort oma’s verhaal aan en maakt een afspraak met de kleinzoon. Van hem hoort ze hoe pijnlijk de opmerkingen van oma en het niet ingrijpen van zijn moeder zijn. Daarna lukt het haar met oma, moeder en kleinzoon samen tot afspraken te komen: oma probeert haar kritiek voor zich te houden, moeder zal haar daarbij helpen en de kleinzoon belooft zijn oma niet te slaan. Ze spreken af dat ze over een maand nog een keer bij elkaar komen om te kijken hoe het gaat. Na overleg met de aandachtsfunctionaris besluit de verpleegkundige, op basis van het afwegingskader, geen melding te doen. Oma en kleinzoon zijn geschrokken van de situatie en willen herhaling voorkomen. Wat ook meespeelt bij het besluit (voorlopig) geen melding te doen is dat de oma en de kleinzoon bereid zijn een vervolgafspraak te maken met de verpleegkundige.

Lydia zegt:De wijkverpleegkundige komt terecht tot de conclusie dat ze, op basis van het afwegingskader, geen melding hoeft te doen. Van belang daarin zijn: de bereidheid van oma om haar gedrag aan te passen en de betrokkenheid die moeder daarbij toont en ook het eenmalig karakter van de klap. Bovendien blijft de verpleegkundige in het gezin komen en de vervolgafspraak met oma, moeder en kleinzoon samen.


  1. De inhoud van de meldcode die een instelling of organisatie moet ontwikkelen ligt vast in het Besluit verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling. 

  2. De verplichting een meldcode vast te stellen en de kennis en het gebruik daarvan te bevorderen is niet in één wet vastgelegd maar is opgenomen in ‘domein’ wetten, zoals de Jeugdwet, de Wmo, de Wet kinderopvang, de Wet kwaliteit klachten geschillen zorg, de Wet op het primair onderwijs 2023, de Wet voortgezet onderwijs 2020, de Wet educatie en beroepsonderwijs en de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. 

  3. De verplichting voor beroepskrachten bij signalen de stappen van de meldcode te zetten wordt afgeleid uit de formulering van de verplichting van organisaties een meldcode te ontwikkelen in de in vorige noot genoemde ‘domein wetten. 

  4. Artikel 11 lid 1 Wet Kwaliteit klachten en geschillen in de zorg (Wkkgz). De meldplicht voor geweld tussen cliënten geldt alleen als zij minimaal een dagdeel in een instelling verblijven en door het geweld medische of gedragskundige behandeling noodzakelijk was en/of de politie betrokken was bij het geweld. Lichamelijk, geestelijk en seksueel geweld van een zorgverlener t.o.v. een cliënt moet altijd worden gemeld evenals seksueel geweld (in een intramurale setting) tussen cliënten. 

  5. Artikel 4.1.8 Jeugdwet. Voor het melden van geweld tussen cliënten gelden dezelfde voorwaarden zoals beschreven in de voetnoot over de meldplicht in de Wkkgz. 

  6. Artikel 3.4 Wmo. Voor het melden van geweld tussen cliënten gelden dezelfde voorwaarden zoals beschreven in de voetnoot over de meldplicht in de Wkkgz. Een melding van geweld moet worden gedaan bij de door de gemeente aangewezen toezichthoudende ambtenaar. 

  7. Zie artikel 4a Wet op het primair onderwijs 2023, artikel 3.39 Wet voortgezet onderwijs 2020, artikel 1.3.8 Wet Educatie en beroepsonderwijs en artikel 1.20 Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. 

  8. Artikel 1.51b lid 3 Wet kinderopvang. 

  9. In de meldcodes van de kinderopvang hebben de leidsters vooral een taak bij stap 1, het signaleren van kindermishandeling en huiselijk geweld. De aandachtsfunctionaris zet de vervolgstappen zoals het vragen van advies aan Veilig Thuis, het voeren van een gesprek met de ouder(s) en het beslissen over het doen van een melding en het organiseren van hulp. 

De aandachtsfunctionaris huiselijk geweld en kindermishandeling

De organisaties en instellingen die onder de Wet verplichte meldcode vallen hebben de plicht de kennis en het gebruik van de meldcode bij de medewerkers te bevorderen door bekendheid te geven aan de meldcode en door voor voldoende scholing en ondersteuning te zorgen. Veel organisaties werken hiervoor met aandachtsfunctionarissen. Dit zijn medewerkers die o.a. als taak hebben de meldcode op de agenda van de organisatie te houden, te adviseren over beleid en bijscholing van de medewerkers te organiseren. Daarnaast ondersteunen aandachtsfunctionarissen de medewerkers als zij bij signalen van kindermishandeling en huiselijk geweld de stappen van de meldcode zetten.

Positie van de aandachtsfunctionaris

Hoewel veel organisaties werken met aandachtsfunctionarissen, zijn instellingen niet verplicht een aandachtsfunctionaris te hebben. Ze kunnen ook besluiten op een andere manier te voldoen aan de verplichting om de kennis en het gebruik van de meldcode binnen de organisatie te bevorderen en de medewerkers bij signalen van kindermishandeling en huiselijk geweld te ondersteunen.

Veldnorm in de ziekenhuizen

Ziekenhuizen hebben in een veldnorm verplicht om een of meer aandachtsfunctionarissen aan te stellen om zo het gebruik van de meldcode te stimuleren. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd houdt toezicht op deze veldnorm.

Taken van de aandachtsfunctionaris

De aandachtsfunctionaris adviseert over het beleid van de instelling, informeert de medewerkers over de meldcode, stimuleert om de meldcode te hanteren en ondersteunt medewerkers als zij bij hun cliënten huiselijk geweld of kindermishandeling signaleren.

Op beleidsniveau adviseert de aandachtsfunctionaris het bestuur van de organisatie over verbeteringen in de aanpak van huiselijk geweld of kindermishandeling. Onder andere over met enige regelmaat binnen de organisatie aandacht vragen voor de aanpak van over het wegnemen van knelpunten en belemmeringen die medewerkers ervaren bij het signaleren en het zetten van de stappen van de meldcode. In het jaarverslag beschrijft de aandachtsfunctionaris bijvoorbeeld wat in de organisatie is gebeurd aan publiciteit en bijscholing en geeft hij een overzicht van het aantal keren dat de meldcode door medewerkers in gang is gezet, het aantal meldingen dat is gedaan en de aard van het geweld dat is gesignaleerd. Daarnaast onderhoudt de aandachtsfunctionaris contacten met organisaties in de regio die betrokken zijn bij de aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling, zoals Veilig Thuis en het gemeentelijk wijkteam.

Op informatie- scholingsniveau informeert de aandachtsfunctionaris de medewerkers over de meldcode, wat het is en hoe deze te gebruiken. De aandachtsfunctionaris motiveert de medewerkers om de meldcode in te zetten bij vermoedens van huiselijk geweld en kindermishandeling

Op casusniveau ondersteunt de aandachtsfunctionaris medewerkers bij het zetten van de stappen van de meldcode.

Let op!

In grote organisaties wordt soms gewerkt met een indirecte aandachtsfunctionaris en een of meer directe aandachtfunctionarissen. De indirecte aandachtsfunctionaris richt zich vooral op beleidsadvisering. De directe aandachtsfunctionaris ondersteunt de medewerkers bij het zetten van de stappen van de meldcode.

Rol van de aandachtsfunctionaris in de meldcode

Uitgangspunt van de Wet verplichte meldcode is dat beroepskrachten die onder deze wet vallen zelf de stappen van de meldcode zetten bij signalen van kindermishandeling en huiselijk geweld. De organisaties waar de beroepskrachten werkzaam zijn moeten zorgen dat hun medewerkers over voldoende kennis en vaardigheden beschikken én dat zij voldoende worden ondersteund bij het zetten van de stappen, bijvoorbeeld door een aandachtsfunctionaris.

Op basis van dit wettelijk kader hebben aandachtsfunctionarissen bij het zetten van de stappen van de meldcode een ondersteunende en adviserende rol en zetten zij niet zelf de stappen. De signalerende beroepskrachten zijn zelf verantwoordelijk voor de wijze waarop zij invulling geven aan de stappen van de meldcode, voor de dossiervorming naar aanleiding van de stappen én voor het al dan niet overnemen van adviezen van de aandachtsfunctionaris.

In een aantal situaties wordt de rol van de aandachtsfunctionaris op een andere manier ingevuld. De ondersteunende rol gaat in die gevallen over in een medeverantwoordelijke rol, toegang tot het dossier, en zelf verslag kunnen leggen in het dossier, zijn dan noodzakelijke bevoegdheden.

Als de rol van de aandachtsfunctionaris overgaat in een medeverantwoordelijke rol, moet de aandachtsfunctionaris als medebehandelaar worden aangemerkt. Dit moet bij de cliënt worden aangegeven en in het dossier beschreven worden.

De LVAK zet zich al een aantal jaren in om van de rol aandachtsfunctionaris een functie te maken en niet langer een ‘takenpakket’ dat de medewerker uitvoert naast zijn andere taken in de organisatie. In dat kader heeft de LVAK samen met vertegenwoordigers van de verschillende beroepsgroepen het Functieprofiel voor de Aandachtsfunctionaris ontwikkeld. In dit functieprofiel worden naast de werkzaamheden en taken, ook de bevoegdheden van de aandachtsfunctionaris beschreven. Omdat de taken en bevoegdheden van de aandachtsfunctionaris per sector verschillen, zijn in nauw overleg met de betrokken aandachtsfunctionarissen, sectorspecifieke functieprofielen ontwikkeld. De functieprofielen zijn in te zien en te downloaden op: lvak.nl/functieprofiel

Delen van informatie over de cliënt

In de hierboven beschreven adviserende en ondersteunende rol van de aandachtsfunctionaris bij de stappen van de meldcode vragen beroepskrachten op basis van anonieme cliëntgegevens advies aan de aandachtsfunctionaris. Deze heeft in deze rol ook geen inzage in het dossier van de cliënt.

Let op!

De naam van de cliënt kan wel worden genoemd als de aandachtsfunctionaris in een andere rol direct bij hetzelfde type hulp, behandeling of onderwijs aan dezelfde cliënt is betrokken. Bijvoorbeeld als de aandachtsfunctionaris als medisch hulpverlener deel uit maakt van het behandelteam van de cliënt, of als de pedagoog die aandachtsfunctionaris is ook de behandelcoördinator van de jeugdige is.

Bevoegdheden aandachtsfunctionaris

Op basis van het sectorspecifieke functieprofiel is er de mogelijkheid in geval van signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling bij een cliënt, de aandachtsfunctionarissen aan te wijzen als medebehandelaar. Dit maakt het mogelijk dat de aandachtsfunctionaris het dossier inziet en stappen van de meldcode zet en daarvan aantekeningen maakt in het dossier.

Bovenstaande constructie van de aandachtsfunctionaris als medebehandelaar is alleen mogelijk als de positie van de aandachtsfunctionaris als medebehandelaar is vastgelegd in het protocol meldcode van de instelling.

Kortom, welke taken en bevoegdheden de aandachtsfunctionaris in een bepaalde instelling heeft, blijkt uit de meldcode van de betreffende organisatie. Daarin moet o.a. duidelijk staan wie binnen de organisatie verantwoordelijk is voor welke stappen.

Kinderopvang

In de praktijk blijkt dat in sommige sectoren behoefte is aan een meer dan adviserende rol voor de aandachtsfunctionaris. Zo wordt in de kinderopvang en de buitenschoolse opvang, op basis van een landelijk protocol,31 gewerkt met een andere taakverdeling. De pedagogisch professional heeft een signalerende taak en gaat met de signalen naar de aandachtsfunctionaris, veelal een leidinggevende. Deze neemt het zetten van de stappen van de pedagogische professional over. In deze taakverdeling is de aandachtsfunctionaris verantwoordelijk voor de dossiervorming n.a.v. stap 1 en voor het zetten van de vervolgstappen, inclusief het nemen van de beslissing over het al dan niet doen van een melding en de dossiervorming bij de vervolgstappen.

Als in de meldcode van de kinderopvang of de buitenschoolse opvang is vastgelegd dat de aandachtsfunctionaris de stappen 2 tot en met 5 zet, betekent dit dat de aandachtsfunctionaris:

Casus “Niet mee eens”

Een jeugdhulpverlener is al langere tijd in gesprek met de ouders van een zesjarig kind over signalen van verwaarlozing. Hij ziet de laatste weken verbetering in de situatie van het meisje en hij meent dat nog meer mogelijk is. Volgens hem zou het doen van een melding het positieve proces verstoren. Daarom wil hij (nog) geen melding doen. De jeugdhulpverlener vraagt advies aan de aandachtsfunctionaris in de instelling. Deze meent dat er, gelet op het afwegingskader in de jeugdhulp, een melding moet worden gedaan. De aandachtsfunctionaris en de jeugdhulpverlener zoeken contact met de locatiedirecteur die volgens de meldcode van de organisatie verantwoordelijk is voor de beslissing of er een melding moet worden gedaan. De locatiedirecteur gaat mee in de afweging van de jeugdhulpverlener en besluit nog geen melding te doen. De aandachtsfunctionaris is het niet eens met dit besluit en maakt zich zorgen over het meisje. Ze vraagt zich af wat ze kan doen. Kan ze zelf een melding doen?

Lydia zegt:In de adviserende en ondersteunende rol die de aandachtsfunctionaris in de organisatie heeft, kan de aandachtsfunctionaris niet over het besluit van de locatiedirecteur heen gaan door zelf een melding te doen. Dat past niet binnen de taken en bevoegdheden van deze aandachtsfunctionaris. Wat ze wel kan doen is samen met de jeugdhulpverlener en de locatieleider de casus voor advies voorleggen aan Veilig Thuis. Dit gebeurt op basis van anonieme cliëntgegevens. Neemt dit advies de zorgen van de aandachtsfunctionaris niet weg en leidt het advies ook niet tot een melding door de locatiedirecteur, dan zou de aandachtsfunctionaris met de jeugdhulpverlener en de locatiedirecteur kunnen afspreken over enige weken opnieuw bij elkaar te komen en te kijken of de situatie van de leerling inderdaad verbeterd is. Blijkt dit niet het geval dan ontstaat wellicht meer draagvlak voor het doen van een melding.

Casus “Geen advies aan mezelf”

Bij een ouderengeneeskundige ontstaan in gesprekken met een cliënt (82) vermoedens van ouderenmishandeling. De ouderengeneeskundige legt de signalen vast en slaat stap 2 over omdat ze zelf de aandachtsfunctionaris in de organisatie is. Ze kan moeilijk advies aan zichzelf vragen!

Lydia zegt:Als een aandachtsfunctionaris in een andere rol, bijvoorbeeld als ouderengeneeskundige signalen heeft van kindermishandeling of huiselijk geweld, moet ze zelf alle stappen van de meldcode zetten, ook advies vragen bij stap 2. De ouderengeneeskundige kan advies vragen aan een collega aandachtsfunctionaris al dan niet in een andere instelling. Daarnaast moet de ouderengeneeskundige volgens de KNMG Meldcode ook advies vragen aan (bij voorkeur de vertrouwensarts van) Veilig Thuis.


  1. Landelijk protocol kindermishandeling en grensoverschrijdend gedrag 2024 van de brancheorganisatie kinderopvang 

Zorgvuldig vastleggen en delen van informatie over cliënten

Bij de aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling leggen beroepskrachten informatie over hun cliënten vast in een dossier en delen ze informatie met elkaar. Dit hoofdstuk beschrijft eerst vijf vuistregels die altijd gelden voor de omgang met informatie over cliënten, ongeacht of deze informatie wordt vastgelegd of wordt gedeeld met anderen. Een volgende paragraaf gaat in op het zorgvuldig delen van informatie. In de laatste paragraaf wordt per stap van de meldcode beschreven wat beroepskrachten daarover moeten vastleggen in het dossier.

Vuistregels zorgvuldig omgaan met informatie over cliënten

In alle situaties waarin beroepskrachten informatie over hun cliënten vastleggen of met anderen delen vijf vuistregels. Beschrijf altijd feiten over wat je ziet, hoort, of op een andere manier waarneemt.

De vijf feiten:

Voorbeelden:
Niet zo:

Leerling veroorzaakt veel onrust in de klas.

Maar zo:

Leerling draait zich voortdurend om, speelt met pen, potlood of gum en vraagt ieder half uur of ze naar de WC mag. Dit veroorzaakt onrust bij klasgenoten.

Niet zo:

Kind is zichtbaar fysiek mishandeld. Vermoedelijke pleger is de vader.

Maar zo:

Blauwe plekken onder beide ogen en op de armen van het kind, schaafwonden en enig bloed op beide benen. Volgens moeder is vader de pleger. Vader nog niet gesproken.

Niet zo:

Moeder (82) in paniek, mist regelmatig geld in portemonnee. Dochter neemt geld weg van moeder voor eigen boodschappen.

Maar zo:

Moeder (82) mist regelmatig geld. Ze vermoedt dat dochter bij het boodschappen doen voor moeder ook eigen boodschappen uit moeders portemonnee betaalt. Dochter bevestigt desgevraagd het vermoeden van moeder. Ze ziet het als onkostenvergoeding voor alles wat zij voor haar moeder doet.

Niet zo:

Man schopt en slaat vrouw en kinderen na alcoholgebruik.

Maar zo:

Cliënte zegt dat haar vriend haarzelf en de kinderen slaat en schopt na alcoholgebruik. Vriend niet gesproken.

Zorgvuldig delen van informatie over cliënten met anderen

Bij het delen van informatie over cliënten met derden zijn twee zaken van belang: er moet een grondslag (wettelijke basis) voor het delen aanwezig zijn en het delen moet zorgvuldig gebeuren. Meer over de grondslag voor het delen van informatie met derden staat in deel 2 van deze handreiking. Daarin wordt per beroepsgroep aangegeven wat de wettelijke basis is voor het delen van informatie over cliënten met derden.

Bij het zorgvuldig delen van informatie is het essentieel hoe je informatie deelt en wat je aan informatie deelt. Hoe je als beroepskracht zorgvuldig informatie deelt wordt beschreven in hoofdstuk 6. Voor de vraag wat je aan informatie deelt, geldt als vuistregel: niet meer informatie delen dan nodig is en met niet meer beroepskrachten dan nodig.

Niet meer dan nodig

Wat aan informatie nodig is, is afhankelijk van het doel waarvoor je de informatie deelt. Overleg je bijvoorbeeld met drie andere beroepskrachten om tot een gezamenlijke aanpak te komen van structureel geweld in een gezin, dan moet je met elkaar vaak veel informatie uitwisselen over de mogelijke oorzaken van het geweld en over de situatie van de verschillende gezinsleden. Loopt de gezamenlijke aanpak eenmaal dan is het meestal niet nodig dat je elkaar op de hoogte houdt van de inhoud van de hulp- en begeleidingstrajecten van de individuele gezinsleden. De mededeling aan elkaar dat de hulp volgens plan verloopt, of dat de doelen zijn behaald, of dat de hulp is afgesloten, is vaak voldoende. In dit verband wordt wel gesproken over het verschil tussen nice to know en need to know. Je deelt alleen need to know.

Volledig

Hoewel je alleen deelt wat nodig is, wordt wel van je gevraagd volledig te zijn. Dit wil zeggen dat je ook de jou bekende informatie deelt die de signalen of de zorgen over de situatie van de cliënt weerspreken of die wijzen op beschermende factoren. Zo voorkom je bij jezelf en bij anderen een tunnelvisie waarin je alleen nog op zoek bent naar signalen van huiselijk geweld en kindermishandeling.

Niet zo:

Moeder zegt dat ze schreeuwt naar de kinderen als ze teveel tegelijk aan haar hoofd heeft, zoals rond etenstijd en bij het naar bed gaan van de kinderen ‘s avonds. Dan is ze moe en is alles haar teveel.

Maar zo:

Moeder zegt dat ze schreeuwt naar de kinderen als ze teveel tegelijk aan haar hoofd heeft, zoals rond etenstijd en bij het naar bed gaan van de kinderen s avonds. Dan is ze moe en is alles haar teveel. De moeder wil graag meedoen aan de training opvoedondersteuning, want ze baalt zelf ook van haar schreeuwen.

Let op!

Ook als je toestemming hebt van je cliënt blijf je als beroepskracht zelf verantwoordelijk voor wat je aan informatie deelt en hoe je dit doet.

Vastleggen van de stappen van de meldcode

Beroepskrachten die met de meldcode werken, maken aantekeningen in het dossier over de stappen die zij zetten. Deze paragraaf beschrijft per stap welke informatie moet worden vastgelegd. Uiteraard gelden ook voor deze aantekeningen de regels die zijn gegeven in hoofdstuk 5.

Aantekeningen bij Stap 1
Aantekeningen bij Stap 2
Aantekeningen bij Stap 3

Let op!

Als je door het advies in stap 2 of door het gesprek met de cliënt in stap 3, besluit geen volgende stappen te zetten, leg dit dan vast en beschrijf waardoor je zorgen zijn weggenomen.

Aantekeningen bij Stap 4
Vragen afwegingskader
  1. Heb ik op basis van stap 1 tot en met 4 (nog steeds) een vermoeden van huiselijk geweld of kindermishandeling?
Niet zo:

Dossier kan, na overleg met de aandachtsfunctionaris, worden afgesloten omdat vermoeden van ouderenmishandeling niet meer aanwezig is.

Maar zo:

In overleg met de aandachtsfunctionaris wordt het dossier afgesloten omdat het letsel dat werd gezien volgens de arts niet door mishandeling is ontstaan.

  1. Schat ik op basis van stap 1 tot en met 4 in dat sprake is van acute of structurele onveiligheid?
Niet zo:

Vanwege de structurele onveiligheid is een melding gedaan.

Maar zo:

Een melding is gedaan vanwege de structurele onveiligheid; de mishandeling van de vrouw en haar kinderen, in de vorm van dreigen met geweld (vrouw) en fysiek straffen (kinderen), blijkt al jaren een vast gedragspatroon van de man. Een eerder hulpaanbod en gemaakte veiligheidsafspraken konden dit patroon niet doorbreken.

  1. Kan ik effectieve hulp bieden of organiseren en kan ik de effecten van de hulp monitoren?
Niet zo:

Hulp bieden niet mogelijk.

Maar zo:

Omdat het om verslavingszorg voor een ouder gaat, is het voor ons als school niet mogelijk deze in gang te zetten. Ouders verboden ons uitdrukkelijk hierover contact op te nemen met de huisarts.

  1. Accepteren de betrokkenen de hulp?
Niet zo:

Cliënt niet gemotiveerd voor hulp.

Maar zo:

Cliënt meent dat de overbruggingshulp van het wijkteam (vanwege wachtlijst GGZ van 11 maanden) niet passend is, wil wel op de wachtlijst voor GGZ hulp.

  1. Leidt deze hulp binnen een aanvaardbare termijn tot duurzame veiligheid?
Niet zo:

Vrijwillige hulp is onvoldoende.

Maar zo:

Omdat al tweemaal een vrijwillig gespecialiseerd hulpaanbod door cliënt voortijdig werd afgebroken én het geweld doorgaat, biedt een nieuw aanbod van vrijwillige hulp te weinig zicht op duurzame veiligheid.

Aantekeningen bij stap 5

Als je een melding doet, leg dan ook de inhoud van de melding vast in je dossier en leg eveneens de terugkoppeling vast die je ontvangt van Veilig Thuis in reactie op de melding. Zie voor meer over de inhoud van een melding: hoofdstuk 4

Casus “Wat is de diagnose?”

In een overleg wordt gesproken over een training voor een 10-jarige jongen om zijn ervaringen met geweld te verwerken. De vertegenwoordiger van de ggz adviseert de jongen niet voor deze training aan te melden omdat de training bij hem niet zal aanslaan. Ze doet een voorstel voor een andere training. Ze licht toe dat ze diagnostiek bij de jongen heeft gedaan en op basis daarvan met dit advies komt. De andere deelnemers vragen haar welke diagnose voor de jongen is gesteld. De medewerker van de ggz is niet bereid deze informatie met de andere deelnemers te delen omdat de informatie niet noodzakelijk is voor de keuze van een passende training. De andere deelnemers van het casusoverleg laten duidelijk merken dat ze dit onnodig geheimzinnig gedoe vinden en vragen zich af of de ggz de andere deelnemers wel vertrouwt.

Lydia zegt:De afweging van de ggz-medewerker heeft niets te maken met het al dan niet vertrouwen van de andere deelnemers aan het overleg, maar met de regel dat niet meer informatie wordt gedeeld dan nodig is. De medewerker van de ggz beoordeelt vanuit haar expertise de geschiktheid van een bepaalde training voor de jongen en komt met een passend alternatief. Daarmee verstrekt ze in het casusoverleg de noodzakelijke informatie voor het doel van het overleg en beperkt ze zich daartoe. Vooral bij medische gegevens zoals diagnoses is het belangrijk deze alleen te delen als dat echt noodzakelijk is. Vaak is het voldoende een handelingsperspectief te geven, zoals de ggz-medewerker in deze casus doet.

Casus “Advies”

Een pedagoog vindt dat er weinig voortgang zit in een hulptraject voor een jongen die langdurig getuige is geweest van geweld tussen zijn ouders. Hij raadpleegt daarom een jeugdpsychiater. Hij beschrijft de geschiedenis van de jongen en de inhoud van het hulptraject en hij vraagt advies: gaat hij nog even door met dit traject of is doorverwijzing voor diagnostiek of naar een andere vorm van hulp beter?

Lydia zegt:Omdat het voor een goed advies niet nodig is de naam van de jongen en van zijn gezinsleden te noemen, vraagt de pedagoog advies aan de psychiater op basis van anonieme cliëntgegevens. Voor het vragen van dit advies heeft de pedagoog geen toestemming van de ouders of van de jongen nodig omdat geen gegevens van hen worden gedeeld. Wel is het in het kader van een open werkwijze van belang de ouders en de jongen te informeren over het gevraagde en gegeven advies en te bespreken wat dit advies voor de voortgang van de hulp kan betekenen.

Casus “Informatie van anderen vastleggen”

In een overleg naar aanleiding van signalen van kindermishandeling van een zevenjarig meisje vertelt de hulpverlener van de vader dat de vader veel schulden heeft en dat hij een gediagnosticeerde verstandelijke beperking heeft. De interne begeleider van de school van het meisje, die ook bij het overleg aanwezig is, legt deze informatie van de hulpverlener vast in het leerlingdossier omdat de verstandelijke beperking van de vader belangrijk is voor de contacten van de school met de vader. De school vermeldt daarbij van wie de informatie afkomstig is.

Lydia zegt:Een deelnemer aan een overleg kan niet zomaar informatie die een andere deelnemer in het overleg deelt over een cliënt, in zijn eigen dossier vastleggen. Daar is toestemming voor nodig van de deelnemer die de informatie verstrekt. De school moet dus aan de hulpverlener van de vader toestemming vragen om deze informatie op te nemen in het leerlingdossier. (En de hulpverlener heeft daarvoor toestemming nodig van de vader.)

Veilig Thuis

Veilig Thuis heeft een centrale rol in de aanpak van kindermishandeling en huiselijk geweld. Iedereen kan een beroep doen op Veilig Thuis: voor het vragen van advies en voor het doen van een melding.

Dit hoofdstuk beschrijft de wettelijke taken en bevoegdheden van Veilig Thuis.

De taken van Veilig Thuis32

Advies

Iedereen die te maken heeft met vermoedens van kindermishandeling en/of huiselijk geweld kan contact zoeken met Veilig Thuis en advies vragen. Bijvoorbeeld over de vraag of de signalen al dan niet kunnen wijzen op kindermishandeling of huiselijk geweld , over het voeren van een gesprek met de cliënt, over passende hulp en over het al dan niet doen van een melding.

Let op!

Meldpunt

Iedereen die een redelijk vermoeden heeft van kindermishandeling en/of huiselijk geweld kan een melding doen bij Veilig Thuis. Beroepskrachten met een beroepsgeheim of een andere zwijgplicht hebben een meldrecht. Voor het doen van een melding hebben zij geen toestemming nodig van hun cliënt maar zij moeten de cliënt daarover wel informeren.

Bij een melding deelt de beroepskracht behalve de signalen ook de naam en andere gegevens van de cliënt en ook zijn eigen naam en functie en de naam van de instelling waarvoor hij werkzaam is.

Bij een melding maken de beroepskracht en Veilig Thuis afspraken over de taakverdeling na de melding. In het algemeen wordt van de beroepskracht verwacht dat hij na de melding de gebruikelijke zorg/begeleiding aan de cliënt voortzet en dat hij daarnaast alert is op signalen dat de situatie voor de cliënt onveilig blijft of onveiliger wordt. In dat geval neemt hij opnieuw contact op met Veilig Thuis.

Veiligheidsbeoordeling

Veilig Thuis beoordeelt na ontvangst van een melding de veiligheidssituatie van de cliënt en diens gezinsleden. Op basis van de veiligheidsbeoordeling besluit Veilig Thuis of vervolgstappen nodig zijn.

Veilig Thuis heeft voor de veiligheidsbeoordeling en voor de vervolgstappen meestal informatie nodig van andere beroepskrachten die de cliënt en de leden van diens gezin kennen. Deze beroepskrachten hebben op basis van hun eigen meldrecht ook het recht op verzoek van Veilig Thuis informatie over hun cliënten te delen. Voor dit informatierecht is geen toestemming van de cliënt nodig. Voorwaarde is dat de informatie die de beroepskracht deelt noodzakelijk is voor het beoordelen van de veiligheidssituatie of voor het stoppen van het geweld. Zie voor meer over het op verzoek delen van informatie met Veilig Thuis paragraaf 3.2 en paragraaf 3.3.

Beroepskrachten die desgevraagd informatie verstrekken worden door Veilig Thuis informanten genoemd.

Onderzoek

De veiligheidsbeoordeling kan leiden tot nader onderzoek door Veilig Thuis naar de aard en de oorzaken van het geweld om zo beter te kunnen beoordelen welke vervolgstappen nodig zijn.

Hulp

Na de veiligheidsbeoordeling en een eventueel onderzoek kan Veilig Thuis besluiten het wijkteam of andere hulpverleners te informeren zodat – met toestemming van de betrokkene(n)33 - hulp voor de cliënt en diens gezin in gang wordt gezet.

Politie

Meent Veilig Thuis dat de veiligheid van de cliënt of van anderen vraagt om ingrijpen van de politie, dan informeert Veilig Thuis de politie over de melding. Hiervoor heeft Veilig Thuis geen toestemming nodig van de melder.

Raad voor de Kinderbescherming

Bij zorgen over de acute veiligheid en/of bij een ernstige bedreiging van de ontwikkeling van een minderjarige, informeert Veilig Thuis de Raad voor de Kinderbescherming zodat deze onderzoek kan doen naar de noodzaak van een kinderbeschermingsmaatregel. Is een maatregel noodzakelijk dan dient de Raad voor de Kinderbescherming een verzoek in bij de rechtbank voor een kinderbeschermingsmaatregel, zoals een ondertoezichtstelling of de beëindiging van het gezag. Ontvangt Veilig Thuis een melding over een minderjarige die al een kinderbeschermingsmaatregel heeft, dan zoekt Veilig Thuis contact met de gecertificeerde instelling die de maatregel uitvoert om afspraken te maken over de veiligheid van de minderjarige.

Bevoegdheden van Veilig Thuis

De wet geeft Veilig Thuis een sterke informatiepositie: Veilig Thuis kan zonder toestemming van de betrokkenen informatie over hen vastleggen, bewaren, beoordelen en aan anderen verstrekken.34 Zo mag Veilig Thuis een melding vastleggen en bewaren. Ook mag Veilig Thuis, voor het doen van onderzoek naar een melding, beroepskrachten benaderen en informatie over hun cliënt vragen. En Veilig Thuis kan informatie uit een melding of uit een onderzoek delen met de politie, met de Raad voor de Kinderbescherming en met de hulpverlening. Veilig Thuis mag deze sterke informatiepositie uitoefenen voor zover dit nodig is voor het beoordelen van de veiligheid, voor het doen van onderzoek naar een melding en voor het stoppen van het geweld.

Open werkwijze

De wet vraagt van Veilig Thuis dat gewerkt wordt in openheid ten opzichte van de betrokkenen, tenzij concrete aanwijzingen aanwezig zijn dat dit onverantwoord is vanwege de veiligheid van de betrokkenen, van de melder of van medewerkers van Veilig Thuis.

Openheid over de identiteit van de melder en de inhoud van de melding

Na een melding zoekt Veilig Thuis contact met de betrokkenen om de melding met hen te bespreken. Daarbij maakt Veilig Thuis als regel de naam van de melder en de inhoud van de melding bekend. Doorgaans weten de betrokkenen al van de melding omdat de beroepskracht in stap 3 of 4 van de meldcode al met de cliënt over zijn zorgen sprak en hem ook al informeerde over (de inhoud van) de melding.

Anoniem een melding doen zonder dat Veilig Thuis de naam en andere gegevens van de melder kent, is niet mogelijk.

Let op!

Voor niet-beroepskrachten die een melding doen, zoals een buurvrouw, een oma of een huisvriend, geldt een uitzondering. Veilig Thuis maakt de naam van de informele melder alleen bekend aan de betrokkenen met toestemming van de melder. Wil de melder dat niet dan deelt Veilig Thuis alleen de inhoud van de melding met de betrokkenen. Daarbij zorgt Veilig Thuis ervoor dat de melding zo wordt geformuleerd dat deze niet te herleiden is tot de informele melder die anoniem wil blijven voor de betrokkene(n).

Openheid over de identiteit van de informanten

Veilig Thuis laat de betrokkenen weten welke beroepskrachten Veilig Thuis als informanten wil benaderen of heeft benaderd en beschrijft welke informatie die informanten over hen delen.

Doorgaans kennen de betrokkenen deze informatie al. Want een beroepskracht die als informant optreedt, zoekt als regel eerst contact met zijn cliënt zodat deze weet welke informatie de informant deelt en waarom de beroepskracht dit noodzakelijk vindt. Zie paragraaf 3.3.

Geen openheid over gevraagde adviezen

Omdat een advies op basis van anonieme cliëntgegevens wordt gevraagd en gegeven, kan Veilig Thuis geen informatie aan de cliënt verstrekken over adviezen die in verband met zijn situatie zijn gevraagd. Veelal zal de cliënt wel kennis kunnen nemen van deze adviezen door de beroepskracht om een afschrift te vragen van zijn dossier . Want als het goed is heeft de beroepskracht het advies dat hij kreeg vastgelegd in dit dossier.

Terugkoppeling

Veilig Thuis is verplicht melders een terugkoppeling te geven zodat zij weten tot welke stappen hun melding heeft geleid. Voor de veiligheidsbeoordeling is dit binnen vijf werkdagen. Voor een onderzoek is dit na afsluiting van het onderzoek.

Casus “Maak hier meteen maar een melding van”

Een schoolmaatschappelijk werker vraagt advies over signalen van kindermishandeling bij een 15-jarige leerling, en wil na het advies van Veilig Thuis meteen een melding doen.

Lydia zegt:Behalve in een noodsituatie is het niet mogelijk een advies meteen om te zetten in een melding, want eerst moet in stap 3 het gesprek met de leerling en met diens ouders worden gevoerd. Pas daarna beoordeelt de schoolmaatschappelijk werker of het nodig is een melding te doen. Zou in het gesprek bijvoorbeeld duidelijk worden dat de leerling en zijn ouders open staan voor hulp en meent de sociaal werker dat deze hulp voldoende veiligheid biedt, dan is het doen van een melding niet altijd nodig. Als de schoolmaatschappelijk werker na het gesprek met de cliënt twijfelt of een melding nodig is, kan hij opnieuw advies vragen aan Veilig Thuis.


  1. De taken van Veilig Thuis zijn te vinden in artikel 4.1.1. lid 2 en 3 Wmo. 

  2. Met de ‘betrokkene’ wordt in deze Handreiking gedoeld op ieder die direct wordt geraakt door het geweld dat is gemeld. Een betrokkene kan een slachtoffer, een pleger, een getuige of een huisgenoot zijn. 

  3. Zie artikel 5.1.6 Wmo. 

Aangifte doen en informatie delen met de politie

Bij signalen van huiselijk geweld en kindermishandeling wenden beroepskrachten zich vooral tot Veilig Thuis, bijvoorbeeld voor het vragen van advies en voor het doen van een melding. Het meldrecht en de meldcode bieden beroepskrachten een zorgvuldige weg voor het delen van informatie over huiselijk geweld en kindermishandeling. In bijzondere situaties, vooral bij acute onveiligheid, kan het soms noodzakelijk zijn (ook) informatie te delen met de politie.

Aangifterecht en aangifteplicht

Niet alleen een slachtoffer maar ieder die weet dat een strafbaar feit is gepleegd, heeft het recht bij de politie aangifte van dit strafbaar feit te doen. Het doen van aangifte is een recht, we kennen in Nederland geen algemene aangifteplicht.35

Bij een aantal zware misdrijven geldt wel een aangifteplicht. Dat is het geval bij:

De aangifteplicht geldt niet voor naaste familieleden van de pleger en ook niet voor artsen, advocaten, geestelijk verzorgers en notarissen.

Een aangifte zet de politie op het spoor van een mogelijk strafbaar feit. Het is aan de politie en de officier van justitie te beslissen of na een aangifte een opsporingsonderzoek in gang wordt ingezet met het doel de verdachte voor de rechter te brengen om over zijn schuld of onschuld te oordelen.

Sommige strafbare feiten zijn klachtdelicten. Deze feiten kunnen alleen vervolgd worden na aangifte door het slachtoffer. Dit geldt o.a. voor belediging en stalking.37

Informatie delen met de politie

Aangifte doen

Voor het doen van aangifte geldt geen meldrecht of een andere specifieke wettelijke regeling. Dit betekent voor hulpverleners dat zij toestemming nodig hebben van hun cliënt voor het delen van informatie met de politie. Krijgen ze geen toestemming of kunnen of willen ze geen toestemming vragen, maar willen ze hun informatie toch delen met de politie, dan kunnen ze bij wijze van hoge uitzondering een beroep doen op een conflict van plichten, bijvoorbeeld als je alleen door het doen van aangifte anderen kunt beschermen tegen ernstig geweld dat je cliënt pleegt. Zie voor de afweging in dergelijke situaties hoofdstuk 3.

Heb je als beroepskracht signalen van kindermishandeling of huiselijk geweld – en ontbreekt acuut gevaar waarvoor politie-ingrijpen onmiddellijk nodig is - dan maak je bij voorkeur gebruik van je meldrecht bij Veilig Thuis. Veilig Thuis kan op basis van de inhoud van je melding en informatie van andere informaten beoordelen of het vanwege de veiligheid (alsnog) noodzakelijk is de politie te informeren.

Op verzoek informatie delen met de politie

Word je als hulpverlener door de politie benaderd met de vraag informatie te delen over je cliënt, dan gelden ook hiervoor de algemene regels. Je kunt informatie delen met toestemming van je cliënt of bij wijze van hoge uitzondering op basis van een conflict van plichten. Dit laatste bijvoorbeeld als je meent dat het beantwoorden van vragen van de politie de enige manier is je cliënt tegen geweld te beschermen, of anderen tegen het geweld van je cliënt te beschermen.

Als getuige optreden en verschoningsrecht

Ieder die wordt opgeroepen te getuigen in een rechtszaak, is verplicht ter terechtzitting te verschijnen en daar naar waarheid antwoord te geven op de vragen die worden gesteld.38 Op de plicht als getuige vragen te beantwoorden geldt een uitzondering voor artsen, geestelijk verzorgers, notarissen en advocaten.39 Deze functionarissen hebben een verschoningsrecht. Dit wil zeggen dat zij wel moeten verschijnen als ze worden opgeroepen, maar geen antwoord behoeven te geven op vragen die aan hen gesteld worden als zij daarmee prijs geven wat zij vanwege hun contact met de cliënt van hem weten.

Let op!

Casus “Cruciale informatie”

Een arts wordt opgeroepen als getuige te verschijnen in een strafzaak tegen zijn patiënt, een verdachte van poging tot doodslag van diens ex-partner. Politie en justitie hebben onvoldoende bewijs dat de verdachte het strafbaar feit heeft gepleegd. De arts beschikt over informatie die cruciaal is voor het bewijs tegen de patiënt.

Lydia zegt:Door de oproep te komen getuigen raakt de arts in gewetensnood. Hij wil in principe niet tegen zijn patiënt getuigen, maar hij weet ook dat hij als enige beschikt over informatie die doorslaggevend is voor het bewijs. Doet hij een beroep op zijn verschoningsrecht en spreekt hij niet, dan gaat de man waarschijnlijk vrijuit en is de kans reëel dat de ex-partner of nieuwe partners van zijn patiënt (opnieuw) slachtoffer zullen worden van het geweld van de patiënt. Uiteindelijk besluit de arts geen beroep te doen op zijn verschoningsrecht en de vragen van de rechter te beantwoorden. De arts neemt dit besluit na consultatie van een collega, de aandachtsfunctionaris en een gezondheidsjurist. De arts meent te moeten spreken omdat hij de enige is die beschikt over informatie die voor het bewijs tegen de man doorslaggevend is. Met het delen van de informatie wil de arts de ex-partner en toekomstige partners beschermen tegen het geweld van zijn patiënt.

Casus “Eerder letsel?”

De politie vraagt een huisarts informatie over een patiënt die door haar ex-partner mishandeld is. De politie zag zelf een deel van het geweldsincident omdat de buren 112 belden en de politie ter plaatse kwam. De politie wil van de huisarts weten of de patiënt eerder met letsel dat mogelijkerwijs verband houdt met geweld bij hem is gekomen. De huisarts sluit niet uit dat hij toestemming zou krijgen van de patiënt deze informatie aan de politie te verstrekken. Maar hij is ook de huisarts van de partner en met de door de politie gevraagde informatie over het slachtoffer verstrekt hij informatie die kan worden gebruikt tegen de partner die ook zijn patiënt is.

Lydia zegt:De arts besluit, na consultatie van een collega en van de aandachtsfunctionaris, niet mee te werken aan het verzoek van de politie omdat hij alleen in een uiterste geval met de informatie uit een medisch dossier wil helpen bij de bewijsvoering. Bij de afweging betrekt de arts 1) dat de partner vast zit en het slachtoffer nu in ieder geval wordt beschermd. 2) dat de politie dit incident zelf deels heeft waargenomen en daardoor over voldoende bewijs van dit incident beschikt en 3) dat de politie ook via verklaringen van het slachtoffer en van andere getuigen eerdere geweldincidenten kan achterhalen.

Casus “Informatie gevorderd”

Veilig Thuis deed aangifte bij de politie n.a.v. een melding van ernstig en structureel geweld van een 21-jarige zoon tegen zijn moeder. Enige dagen later zoekt de politie contact met de psycholoog die de melding deed bij Veilig Thuis en die de behandelaar is van de zoon. De politie komt met een vordering gegevens ten behoeve van het strafrechtelijk onderzoek. Uit de vordering blijkt dat men van de psycholoog wil weten of en wat de zoon over dit geweld aan de psycholoog heeft verteld. Als de psycholoog wijst op haar geheimhoudingsplicht stelt de politie dat de gevraagde informatie ‘gevorderd’ wordt en dat de psycholoog verplicht is aan deze vordering gehoor te geven. De psycholoog zegt toe dat ze zo snel mogelijk reageert op het verzoek maar dat ze enige tijd nodig heeft uit te zoeken wat haar positie is. Ook na aandringen van de politie op snel handelen volhard ze dat ze voor zorgvuldig handelen enige tijd nodig heeft.

Lydia zegt:Het is verstandig dat de psycholoog enige tijd vraagt om uit te zoeken wat haar positie is en een aandachtsfunctionaris te raadplegen. In die bedenktijd wordt haar duidelijk dat ze pas kan beslissen of ze informatie deelt als ze weet waarom de politie de gevraagde informatie nodig heeft. Pas dan kan ze een afweging maken of ze zwijgt of, ter bescherming van de moeder en wellicht andere slachtoffers, de gevraagde informatie verstrekt. Besluit de psycholoog dat ze, vanwege haar beroepsgeheim, geen informatie verstrekt, dan is de vraag wat het voor de psycholoog betekent dat de informatie gevorderd wordt. In principe geldt dat als informatie (schriftelijk) gevorderd wordt door het Openbaar Ministerie, je verplicht bent deze informatie te verstrekken. Voor de zogeheten verschoningsgerechtigden geldt deze verplichting niet. Artsen, advocaten, notarissen en geestelijk verzorgers zijn niet strafbaar als ze geen gehoor geven aan de vordering om informatie te verstrekken. Of het beroepsgeheim van andere hulpverleners, zoals de psycholoog in de casus, ook beschermd wordt tegen een vordering, beslist de rechtbank van geval tot geval. Blijft de psycholoog bij haar weigering de gevorderde informatie te verstrekken, dan wordt de zaak voorgelegd aan de rechter-commissaris41 die beslist of de psycholoog al dan niet moet spreken in deze zaak.

Let op!

Vorderen politie en justitie een (deel van) het cliëntdossier en meent de hulpverlener dat de gegevens vanwege het beroepsgeheim niet verstrekt kunnen worden, dan wordt een uitdraai van het dossier vaak verzegeld (met een handtekening dwars over de sluitingsstrip van de envelop) meegegeven aan de politie waarbij meteen beklag tegen de vordering wordt gedaan bij de rechter-commissaris. Zo wordt bereikt dat een rechter beslist of politie en justitie het dossier mogen inzien. Want in de beklagzaak beslist de rechter-commissaris of het dossier terug moet naar de hulpverlener, of dat informatie uit het dossier in de strafzaak kan worden gebruikt. In dit laatste geval geeft justitie het dossier vaak in handen van een onafhankelijke deskundige die op basis van de inhoud van het dossier antwoord geeft op de vragen van politie en justitie. Zo wordt voorkomen dat het volledige cliëntdossier onderdeel wordt van het strafdossier.


  1. Artikel 161 Wetboek van Strafvordering 

  2. Artikel 160 Wetboek van Strafvordering. 

  3. Artikel 266 lid 1 (belediging) en artikel 285b Wetboek van Strafrecht (stalking). 

  4. Artikel 2134 Wetboek van Strafvordering. 

  5. Artikel 160 lid 2 Wetboek van Strafvordering 

  6. Artikel 160 lid 2 Wetboek van Strafvordering 

  7. Een rechter-commissaris is een rechter die toezicht houdt op het opsporingsonderzoek en o.a. getuigen hoort. 

Tucht- en klachtrecht

Beroepskrachten voelen zich bij het delen van informatie met anderen soms geremd door het recht van cliënten om een klacht in te dienen over het handelen van beroepskrachten. Daarom in dit hoofdstuk aandacht voor de tucht- en klachtprocedures. In de eerste twee paragrafen wordt het stelsel van tucht- en klachtprocedures beschreven. Daarna volgt in een derde paragraaf een schets van wat klachtencommissies en tuchtcolleges belangrijk vinden als een beroepskracht een melding bij Veilig Thuis doet, op verzoek informatie deelt of bij het delen van informatie een beroep doet op een conflict van plichten.

Vooraf nog dit:

Tuchtrecht

In het tuchtrecht beoordeelt een college van beroepsgenoten en juristen naar aanleiding van een klacht of de beroepskracht volgens de professionele standaard handelde. De professionele standaard is het geheel van regels en normen waaraan de beroepskracht gebonden is, zoals deze te vinden zijn in de beroepscode, in wetgeving en in richtlijnen.

Doel

Het tuchtrecht is bedoeld om de kwaliteit van het handelen van beroepskrachten te bewaken. Daarom staat in het tuchtrecht het toetsen van het handelen van een individuele beroepskracht centraal en zijn de maatregelen van tuchtcolleges gericht op het verbeteren van het professioneel handelen en het voorkomen van onzorgvuldig handelen. Als het tuchtcollege de klacht gegrond verklaart, kan het de beroepskracht een maatregel opleggen. In verreweg de meeste gevallen bestaat de maatregel uit een waarschuwing of een berisping. Bij een waarschuwing stelt het tuchtcollege ‘alleen maar’ vast dat het handelen van de beroepskracht onjuist was. Bij de wat zwaardere berisping maakt het tuchtcollege de beroepskracht een verwijt van het onjuiste gedrag. De waarschuwing en de berisping hebben geen gevolgen voor het handelen van de beroepskracht en ze worden doorgaans niet gepubliceerd in het beroepsregister. Bij ernstig en structureel disfunctioneren van een beroepskracht kan de maatregel bestaan uit tijdelijk schorsen of definitief doorhalen van de naam van de beroepskracht uit het beroepsregister. Dit betekent dat de beroepskracht zijn beroep (tijdelijk of definitief) niet meer mag uitoefenen.

BIG - Tuchtrecht

De Wet BIG43 kent voor elf (medische) beroepsgroepen verplichte registratie. Deze registratie is nodig om het beroep te kunnen uitoefenen. BIG-geregistreerde beroepskrachten vallen automatisch onder het medisch tuchtrecht. Verplichte registratie met daaraan verbonden tuchtrecht geldt voor: artsen, tandartsen, apothekers, gezondheidszorgpsychologen, psychotherapeuten, fysiotherapeuten, verloskundigen, verpleegkundigen, physician assistants, orthopedagogen-generalist en klinisch technologen. Patiënten, direct betrokken collega’s en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kunnen een klacht indienen tegen het handelen van een geregistreerde beroepskracht bij een regionaal medisch tuchtcollege en daarna zo nodig in beroep gaan bij het Centraal Medisch Tuchtcollege. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd heeft ook de bevoegdheid zich te voegen bij een door een ander ingediende klacht, die klacht eventueel over te nemen en in beroep te gaan bij zaken waar zij in eerste aanleg niet bij betrokken was.

SKJ - Tuchtrecht

Een vergelijkbaar systeem kent de Stichting Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ). Voor veel taken in de jeugdhulp en de jeugdbescherming geldt dat deze alleen mogen worden uitgevoerd door beroepskrachten met een BIG- of SKJ-registratie. Door de SKJ registratie vallen jeugdhulpverleners en jeugdbeschermers automatisch onder het SKJ tuchtrecht. Sinds 2022 ligt het accent in de SKJ-tuchtprocedure niet meer op het oordelen over het handelen van de beroepskracht maar op de vraag wat de beroepskracht van de klacht heeft geleerd. Een Commissie van Consultatie die bestaat uit twee beroepsgenoten en een ethicus, gaat over die vraag met de cliënt en de beroepskracht in gesprek.

Ernstige schendingen van de beroepsnormen worden wel behandeld in een tuchtprocedure door het College van Toezicht dat een oordeel geeft over het handelen van de beroepskracht en een maatregel kan opleggen.

Verenigings - Tuchtrecht

Ook een aantal beroepsverenigingen kent tuchtrecht. Doel hiervan is het bewaken van de kwaliteit van de beroepsuitoefening door de leden. Zo kennen o.a. de Beroepsvereniging voor Professionals in Sociaal Werk (BPSW), de Nederlandse Vereniging voor Pedagogen en Onderwijskundigen (NVO) en het Nederlands Instituut van Psychologen (NIP) tuchtrecht voor de leden. Cliënten en direct betrokken beroepsgenoten kunnen een klacht indienen bij het betreffende tuchtcollege. Dit college beoordeelt de klacht en als de klacht ‘gegrond’ wordt verklaard kan het een maatregel opleggen.

Klachtrecht

Voor nagenoeg alle beroepskrachten die onder de Wet verplichte meldcode vallen, geldt dat hun cliënten een klacht in kunnen dienen over hun handelen bij een klachtencommissie of een klachtenfunctionaris.

Klachtprocedure in de zorg

Voor de gehele zorgsector verplicht de Wet kwaliteit, klachten en geschillen in de zorg (Wkkgz) zorginstellingen en vrijgevestigde zorgverleners een klachtenregeling te hebben.44 Cliënten kunnen met onvrede over het handelen van een beroepskracht terecht bij een onafhankelijke klachtenfunctionaris die probeert te bemiddelen. Lukt dat niet dan kan de cliënt bij de interne klachtencommissie terecht en uiteindelijk bij een onafhankelijke geschillencommissie. De klachtenprocedure van de Wkkgz geldt voor álle zorgaanbieders, ook voor aanbieders van cosmetische zorg en zorg op basis van alternatieve geneeswijzen.

De klachtencommissie komt na het horen van beide partijen met een oordeel over de klacht en zendt dit aan de bestuurder van de instelling. Zo nodig doet de commissie daarbij aanbevelingen gericht op het voorkomen dat een vergelijkbare klacht zich opnieuw voor doet. De bestuurder laat de klager en de beroepskracht weten of hij het oordeel van de commissie overneemt en wat hij gaat doen met de aanbevelingen. De geschillencommissie komt met een bindend oordeel over de klacht en kan een vergoeding voor geleden schade toekennen tot een maximum van € 25.000,-.

Klachtprocedure in de maatschappelijke ondersteuning

De Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo)45 verplicht aanbieders (van bepaalde vormen) van maatschappelijke ondersteuning een klachtenregeling te hebben. Dit geldt o.a. voor de vrouwenopvang, de maatschappelijke opvang en beschermd wonen. De Wmo geeft geen regels voor de inrichting van deze klachtenprocedure. Bij veel instellingen wordt gewerkt met een eerste fase waarin een klachtenfunctionaris probeert te bemiddelen en een tweede fase waarin een klachtencommissie een oordeel geeft over de klacht. Dit oordeel wordt toegezonden aan de bestuurder van de instelling die de klager en de beroepskracht laat weten of hij het oordeel van de klachtencommissie overneemt en wat hij gaat doen met de aanbevelingen.

Klachtprocedure in de jeugdhulp

De Jeugdwet46 vraagt van alle aanbieders van jeugdhulp en van de gecertificeerde instellingen te zorgen voor een klachtencommissie met een onafhankelijke voorzitter. De klachtencommissie komt, na het horen van beide partijen, met een oordeel over de klacht en zendt dit oordeel aan de bestuurder van de instelling. Zo nodig doet de commissie daarbij aanbevelingen gericht op het voorkomen dat een vergelijkbare klacht zich opnieuw voor doet. De bestuurder laat de klager en de beroepskracht weten of hij het oordeel van de klachtencommissie overneemt en wat hij doet met de aanbevelingen. De Jeugdwet kent geen mogelijkheid van hoger beroep.

Klachtprocedures in het onderwijs

De verschillende onderwijswetten verplichten onderwijsinstellingen een klachtenregeling te hebben zodat ouders en/of leerlingen kunnen klagen over gedrag en beslissingen van (medewerkers van) de onderwijsinstelling.47 Heeft de onderwijsinstelling geen eigen klachtencommissie dan moet ze aangesloten zijn bij een regionale of landelijke klachtencommissie. Het oordeel van de commissie heeft de vorm van een advies aan de bestuurder van de onderwijsinstelling.

De klachtprocedure kan enigszins verschillen per type onderwijs.

Klachtprocedure in de kinderopvang

De kinderopvang, de buitenschoolse opvang en de gastouderbureaus zijn verplicht een klachtenprocedure te hebben voor de ouders. Klachten over het handelen van (medewerkers van) de kinderopvang worden eerst in een eigen klachtprocedure van de kinderopvang behandeld. Zijn de ouders niet tevreden met de afhandeling van de klacht, dan kunnen ze deze voorleggen aan een onafhankelijke geschillencommissie die een beide partijen bindend oordeel geeft.48

Overige klachtprocedures

Ook leerplichtambtenaren, penitentiaire inrichtingen, de Reclassering en het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) kennen (ieder een eigen) klachtenregeling. Meer hierover in het tweede deel van deze handreiking in de betreffende hoofdstukken.

Verschil tucht- en klachtrecht

Een tuchtprocedure is bedoeld de kwaliteit van het beroepsmatig handelen van geregistreerde beroepskrachten te bewaken. Daarom richten tuchtprocedures zich op dit professioneel handelen en zijn ook de maatregelen gericht op het handelen van de professional.

Het klachtrecht is in de eerste plaats bedoeld de onvrede van de cliënt weg te nemen zodat deze onvrede geen belemmering meer vormt voor goede dienstverlening. Klachten kunnen gaan over het handelen van een beroepskracht maar ook over de organisatie, bijvoorbeeld over de (on)bereikbaarheid van de instelling, of over het ontbreken van een goede vervangingsregeling als een beroepskracht uitvalt. Het oordeel dat de klachtencommissie geeft over de klacht gaat doorgaans naar de bestuurder van de instelling. De bestuurder laat de klager en de beroepskracht weten of hij het oordeel van de klachtencommissie overneemt en wat hij doet met de eventuele aanbevelingen van de klachtencommissie. Anders dan een tuchtprocedure leidt een klachtenprocedure doorgaans niet tot maatregelen gericht op de professional.

Meer procedures tegen één beroepskracht mogelijk

In veel gevallen kan een cliënt bij een geregistreerde beroepskracht kiezen uit verschillende procedures. Zo heeft een cliënt bij een SKJ geregistreerde beroepskracht die in de kinderopvang werkzaam is, keuze uit een SKJ-tuchtprocedure en/of de klachtprocedure in de kinderopvang. Wil een cliënt klagen over het handelen van een gedragswetenschapper in de jeugdhulp, die lid is van de NVO en SKJ geregistreerd is, dan kan de cliënt kiezen tussen een SKJ- en/of NVO tuchtprocedure en/of een klachtprocedure bij de instelling waarvoor de gedragswetenschapper werkzaam is. Vaak geldt bij tuchtcolleges en klachtencommissies de regel dat klachten niet in behandeling worden genomen als ook elders over hetzelfde handelen van dezelfde beroepskracht een procedure loopt. Het staat een cliënt doorgaans wel vrij eerst een klachtprocedure te starten en daarna een tuchtprocedure.

Wat klachtencommissies en tuchtcolleges bij het delen van informatie belangrijk vinden

Waar letten klachtencommissies en tuchtcolleges op als een cliënt een klacht indient over een beroepskracht die informatie over hem met anderen deelde?

Klacht over een melding

Als er een klacht wordt ingediend over een melding die de beroepskracht bij Veilig Thuis deed, onderzoeken tuchtcolleges en klachtencommissies of alle stappen van de meldcode zijn gezet. Is een stap overgeslagen dat wordt de beroepskracht gevraagd waarom hij deze keuze heeft gemaakt. Vooral aan een besluit om niet over de melding in gesprek te gaan met de cliënt worden hoge eisen gesteld. Een beroepskracht moet aantonen dat het vanwege concrete aanwijzingen van onveiligheid onverantwoord was de cliënt over de melding te informeren. En als een gesprek niet mogelijk was, dan wordt nog de vraag gesteld waarom de cliënt niet schriftelijk is geïnformeerd.

Ook wordt in een klachtprocedure over een melding bij Veilig Thuis beoordeeld of de melding zorgvuldig is geformuleerd: of duidelijk is wat de beroepskracht zelf zag en hoorde en wat hij van anderen hoorde. Bevat de melding ook een oordeel dan worden de volgende vragen gesteld: was dit oordeel noodzakelijk? Zijn feiten en meningen goed gescheiden? Is de beroepskracht bij het geven van een mening binnen zijn deskundigheidsgebied gebleven en baseert hij zijn mening op voldoende feiten? Ten slotte is belangrijk dat de beroepskracht in de melding volledig was, dit wil zeggen dat hij ook de hem bekende feiten beschreef die zijn vermoeden weerspreken.

Let op!

Als na onderzoek van Veilig Thuis blijkt dat geen sprake is van kindermishandeling of huiselijk geweld, betekent dit niet automatisch dat de beroepskracht verkeerd handelde door een melding te doen. Een beroepskracht kan een melding doen bij signalen die redelijkerwijs kunnen wijzen op kindermishandeling of huiselijk geweld . Het is de taak van Veilig Thuis te onderzoeken of inderdaad geweld aanwezig is in de thuissituatie.

Klacht over informatie die op verzoek van Veilig Thuis is gedeeld

Gaat de klacht over een beroepskracht die op verzoek van Veilig Thuis informatie deelde, dan wordt het handelen van de beroepskracht getoetst aan de normen uit het stappenplan van paragraaf 3.3. Ook nu geldt weer dat hoge eisen worden gesteld aan het besluit van een beroepskracht informatie met Veilig Thuis te delen zonder dat de cliënt hiervan weet. Welke concrete aanwijzingen waren aanwezig dat het niet veilig was het delen van informatie eerst met de cliënt te bespreken? En als een gesprek niet mogelijk was, waarom dan de informatie niet schriftelijk gedeeld? Vervolgens wordt bekeken of de beroepskracht niet meer informatie deelde dan nodig, of hij volledig was door ook de hem bekende feiten te beschrijven wat wel goed gaat, of hij feiten van meningen scheidde, of hij met zijn oordeel binnen zijn deskundigheidsgebied bleef en of hij voldoende feiten aanvoerde voor zijn professioneel oordeel.

Klacht over het delen van informatie op grond van een conflict van plichten

Is de klacht gericht op een beroepskracht die zonder toestemming met een beroep op een conflict van plichten informatie deelde met een ander dan Veilig Thuis, dan wordt beoordeeld of aan alle voorwaarden is voldaan zoals beschreven in hoofdstuk 4. Kernvraag daarbij is of het delen van informatie de enige manier was (een aanzienlijk risico op) ernstige schade bij de cliënt of een ander te beperken of te voorkomen. Vervolgens wordt beoordeeld of de beroepskracht alleen de informatie deelde die nodig was de schade te beperken of te voorkomen en of hij de cliënt informeerde over het delen van de informatie en zo niet, waarom dit niet mogelijk was.

Positie van gezaghebbende ouders

Een aandachtspunt bij iedere vorm van delen van informatie over een kind of een jongere is de positie van de ouders. Bij twee gezaghebbende ouders moet met beiden gesproken worden, ook als het signalen van kindermishandeling of huiselijk geweld in het (nieuw) gezin van een van de (gescheiden) ouders betreft.

Zie voor de leeftijdsgrenzen van kinderen bij het informeren van de gezaghebbende ouders paragraaf 2.5 en de informatie per beroepsgroep in deel 2 van deze handreiking.

Advies van de aandachtsfunctionaris, een collega of Veilig Thuis

Omdat beroepskrachten bij (signalen van) kindermishandeling en huiselijk geweld vaak belangen moeten afwegen en besluiten moeten nemen in een bepaalde mate van onzekerheid, is het belangrijk dat ze een aandachtsfunctionaris of bij afwezigheid een andere deskundige collega raadplegen en zo nodig ook advies vragen aan Veilig Thuis. Dit overleg helpt de beroepskracht nog eens kritisch naar zijn afwegingen te kijken en zo tot een zorgvuldig(er) besluit te komen.

Ook klachtencommissies en tuchtcolleges vinden het belangrijk dat beroepskrachten bij ingrijpende besluiten vooraf advies vragen aan een deskundige en dat ze dit advies vastleggen in het dossier. Besluit een beroepskracht toch anders te handelen dan geadviseerd, dan moet uit het dossier blijken waarom is afgeweken van het advies.

Let op!

Ook bij het doen van een (schriftelijke) melding, of het (schriftelijk) beantwoorden van vragen van Veilig Thuis is het raadzaam om advies te vragen aan een aandachtsfunctionaris of bij afwezigheid een ervaren collega.

Belang van het dossier

In het dossier is terug te vinden hoe je besluitvorming over het delen van informatie met Veilig Thuis of met een ander verliep, welke afwegingen je maakte en welke informatie je deelde. Ook de contacten hierover met de cliënt staan beschreven in het dossier. Mocht je uitvallen, dan is het dossier belangrijk voor de continuïteit: je vervanger kan zich inlezen en op basis van de aantekeningen in het dossier verder gaan, bijvoorbeeld met de stappen van de meldcode of met het op verzoek delen van informatie met Veilig Thuis.

Ook in klacht- en tuchtzaken speelt het dossier een belangrijke rol. Het dient voor klachtencommissies en tuchtcolleges als basisinformatie: staat niet in het dossier dat de beroepskracht de cliënt informeerde, dan neemt men aan dat dit feitelijk niet is gebeurd, ook als de beroepskracht in de procedure zegt dat hij dit wel deed. Stelt de cliënt in zijn klacht dat aan hem niets is gevraagd, terwijl in het dossier een aantekening staat dat de cliënt op een bepaalde datum gericht toestemming gaf, dan is dat dat voor de commissie of het college een belangrijke aanwijzing dat de cliënt wel toestemming gaf, ook al ontkent de cliënt dit bij de klachtbehandeling.

Let op!

Casus “Spaarrekening leeg”

Een wijkverpleegkundige doet de volgende melding bij Veilig Thuis:

‘Ik kom al enige jaren drie keer per week bij een 79-jarige cliënt thuis. De cliënt vertelde me enige maanden geleden dat hij zich zorgen maakt omdat hij geen spaargeld meer heeft. Toen ik vroeg hoe dat zo gekomen is, vertelde hij na veel aarzelingen en met schaamte dat zijn zoon in het afgelopen jaar geleidelijk aan al zijn spaargeld van de rekening heeft gehaald. Ik schrok hiervan. De cliënt is helder van geest en heeft een goed geheugen. In de weken erna kwam hij hier nog een paar keer op terug. Mijn cliënt durft niets te zeggen tegen zijn zoon omdat, zo zei hij; ’mijn zoon veel voor me doet’ Hij wil ook beslist niet dat ik in gesprek ga met zijn zoon en hij voelt evenmin iets voor een gesprek met zijn drieën. Nadat de cliënt mij de afschriften van de spaarrekening heeft laten zien waaruit inderdaad blijkt dat de spaarrekening, waarop twaalf maanden geleden € 15.500,- stond, in het afgelopen jaar bijna leeg is gemaakt, heb ik nog één keer gevraagd of ik met de zoon mag gaan praten of dat we samen in gesprek zouden gaan. Mijn cliënt wil dit echt niet. Daarom heb ik besloten een melding te doen van financieel misbruik door de zoon van mijn cliënt.’

De zoon van de cliënt dient een klacht in bij een tuchtcollege over de melding die de wijkverpleegkundige bij Veilig Thuis heeft gedaan. De zoon zegt dat de wijkverpleegkundige geen melding had mogen doen zonder dat ze hem gesproken had en dat ze hem niet als pleger had mogen noemen.

Lydia zegt:Nu de cliënt de wijkverpleegkundige uitdrukkelijk heeft verboden met de zoon te gaan praten, was het voor haar niet mogelijk in gesprek te gaan met de zoon. Dit betekent niet dat ze geen melding mag doen. Wel is het belangrijk dat ze, zoals in de casus ook gebeurt, in de melding duidelijk maakt dat ze de zoon niet heeft gesproken en dat ze haar informatie baseert op wat haar cliënt haar heeft verteld en op de afschriften die ze zelf heeft gezien. De melding is zorgvuldig geformuleerd, behalve de laatste zin. Daarin had ze zich moeten beperken tot het financieel misbruik waarvan haar cliënt waarschijnlijk slachtoffer is, en de zoon niet zelf moeten aanwijzen als pleger.


  1. Deze cijfers komen uit het jaarverslag 2024 van de medische tuchtcolleges. Met een verkorte procedure wordt gedoeld op een zogeheten voorzittersbeslissing, een beslissing die de voorzitter mag nemen omdat het volstrekt duidelijk is dat de klacht moet worden afgewezen, of een beslissing in raadkamer, dit wil zeggen dat het college de klacht afwijst op basis van de schriftelijke stukken zonder mondeling zitting. Meent de raadkamer dat de klacht niet zondermeer kan worden afgewezen dan verwijst de raadkamer de klacht door voor behandeling in een zitting. 

  2. Artikel 3 Wet BIG. 

  3. Artikel 14 en verder Wkkgz. 

  4. Artikel 3.2 Wmo. 

  5. Artikel 4.2.1 Jeugdwet. 

  6. Zie o.a. artikel 14 Wet op het primair onderwijs 2023, artikel 3.35 Wet voortgezet onderwijs 2020 en artikel 23 Wet op de expertisecentra. 

  7. Artikel 1.57b en c Wet kinderopvang 

Deel 2: Informatie per beroepsgroep en sector

Dit tweede deel van de Handreiking beschrijft de regels die specifiek per beroepsgroep of sector gelden voor het delen van informatie over cliënten. Gelet op het onderwerp van deze Handreiking gaat het vooral over de vraag hoe informatie gedeeld kan worden bij (signalen van) kindermishandeling en huiselijk geweld .

Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA)

Wettelijk kader

De Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers beschrijft de taken van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA). Deze wet geeft geen regels voor het delen van informatie over de cliënten die opgevangen worden. Daarom gelden de regels van de Algemene Verordening Gegevensbescherming en de Uitvoeringswet AVG. De grondslag (wettelijke basis) voor het delen van informatie is voor het COA de wettelijke taak asielzoekers op te vangen.

Leeftijdsgrens

Voor het uitoefenen van rechten door asielzoekers, zoals het recht om te vragen met wie het COA informatie heeft gedeeld, geldt de in de Uitvoeringswet AVG genoemde leeftijdsgrens van 16 jaar. Is de cliënt van het COA nog geen 16 jaar, dan oefenen de gezaghebbende ouders de rechten uit.

Geheimhouding

In verband met de opvangtaak van het COA kunnen beroepskrachten van het COA informatie verstrekken aan partijen in de ‘vreemdelingenketen’ zoals de IND, de gemeente, de school, de zorgverzekeraar en de aanbieder van medische zorg voor asielzoekers. Informatie mag alleen worden verstrekt voor zover de informatie noodzakelijk is voor de opvang. Voor andere informatie geldt dat deze niet aan derden mag worden verstrekt. Deze geheimhouding is o.a. vastgelegd in de Gedragscode Integriteit COA 2020

Uitzondering op het toestemmingsvereiste: Informatierecht van Veilig Thuis

Op basis van het meldrecht kunnen beroepskrachten van het COA ook op verzoek van Veilig Thuis informatie over de asielzoeker delen. Hiervoor is geen toestemming van de asielzoeker nodig, Voorwaarde is dat de beroepskracht alleen noodzakelijke informatie deelt voor het beoordelen van de veiligheid van een asielzoekers of zijn gezinsleden of voor het stoppen van de kindermishandeling of het huiselijk geweld . Tweede voorwaarde is dat de beroepskracht van het COA de asielzoeker informeert zodat deze weet welke informatie met Veilig Thuis wordt gedeeld zoals beschreven in paragraaf 3.3.

Meldrecht en meldcode

In geval van signalen die kunnen wijzen op kindermishandeling en huiselijk geweld hebben beroepskrachten van het COA, ondanks de geheimhoudingsplicht, het recht de signalen te melden bij Veilig Thuis. Het COA maakt dan gebruik van het wettelijk meldrecht.49 Het meldrecht wil zeggen dat het COA geen toestemming nodig heeft om een melding te doen. Wel wordt van beroepskrachten van het COA gevraagd dat zij de stappen van de meldcode zetten om zo te komen tot een zorgvuldig besluit over het al dan niet doen van de melding.50

Welke functionarissen binnen het COA verantwoordelijk zijn voor het zetten van de stappen en voor het besluit een melding bij Veilig Thuis te doen is vastgelegd in de meldcode van het COA.

Bij het meldrecht en de meldcode gaat het om geweld tussen (ex-)leden van het huishouden of het gezin van de asielzoeker: zoals geweld tussen (ex-)partners of tussen ouders en kinderen. Andere vormen van geweld binnen de opvang moeten worden gemeld bij de leiding van de opvanglocatie.

Tucht- en klachtrecht

Individuele medewerkers van het COA kunnen onder een of meer vormen van tuchtrecht vallen als zij SKJ- of BIG-geregistreerd zijn of lid zijn van een beroepsvereniging met verenigingstuchtrecht zoals het Nederlands Instituut van Psychologen (NIP), de Nederlandse Vereniging van Pedagogen en Onderwijskundigen (NVO) of de Beroepsvereniging van Professionals in Sociaal Werk (BPSW).

Een asielzoeker met een klacht over gedrag van een medewerker kan, via de dienst Juridische Zaken, een klacht indienen bij de directie van het COA. Zo nodig kan de asielzoeker daarna de Nationale ombudsman vragen een onderzoek in te stellen.

Zie ook paragraaf:

Casus “Gedwongen seks elders”

Een alleenstaande jonge vrouw (18) in een AZC heeft sinds enige tijd een veel oudere vriend (32) die in het nabijgelegen dorp woont. Een medewerker van het COA, die de taal van de vrouw spreekt en regelmatig gesprekken met haar voert, heeft signalen dat deze vriend het meisje dwingt tot seks. De medewerker vraagt zich af of zij iets moet doen met deze signalen. De al dan niet gedwongen seks vindt niet plaats in het AZC en de vrouw is meerderjarig.

Lydia zegt:Gedwongen seks is een vorm van huiselijk geweld, ook al vindt de gedwongen seks niet in het AZC plaats maar elders. Daarom moet het COA bij deze signalen de stappen van de meldcode zetten om tot een zorgvuldig besluit te komen of een melding moet worden gedaan, en/of hulp kan worden ingezet.


  1. Dit meldrecht is vastgelegd in artikel 5.2.6 Wmo. 

  2. Het verplicht gebruik van de meldcode wordt afgeleid uit de tekst van artikel 9a Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers. 

Gedrags­weten­schappers

Wettelijk kader

Het handelen van gedragswetenschappers, (ortho)pedagogen en psychologen, kan onder verschillende wetten vallen. Doorgaans is de zwijgplicht, ook wel beroepsgeheim genoemd, van de WGBO of van de (gelijkluidende bepaling in) de Jeugdwet van toepassing. Sommige gedragswetenschappers, orthopedagogen-generalist en gezondheidszorgpsychologen, vallen ook onder de zwijgplicht van de wet BIG. Deze zwijgplicht van gedragswetenschappers is vastgelegd en nader uitgewerkt in de beroepscodes van het Nederlands Instituut van Psychologen (NIP) en van de Nederlandse Vereniging van Pedagogen en Onderwijskundigen (NVO).

Voor de leeftijdsgrenzen bij het geven van toestemming wordt in de beide beroepscodes aansluiting gezocht bij de bepalingen in de WGBO en (de gelijkluidende bepalingen in) de Jeugdwet.

Beroepsgeheim

Het beroepsgeheim, of de zwijgplicht, houdt in dat gedragswetenschappers voor het delen van informatie over hun cliënten gericht toestemming van hun cliënt moeten vragen en krijgen. Deze zwijgplicht geldt ook als een gedragswetenschapper zelf geen directe contacten heeft met de cliënt maar betrokken is bij de hulp in een coördinerende, adviserende of regisserende rol. Het beroepsgeheim is een belangrijk instrument om te zorgen dat iedereen zich vrij voelt een beroep te doen op de hulp van gedragswetenschappers en vrij uit met hen durft te spreken.

Leeftijdsgrens

Is een cliënt nog geen twaalf jaar, dan vraagt de gedragswetenschapper toestemming aan de gezaghebbende ouders voor het delen van informatie. Vanaf 12 jaar beslist de cliënt hier zelf over. Wordt informatie over een jongere vanaf 12 jaar én over zijn ouders gedeeld, dan is ook de toestemming van de ouders nodig.

Uitzondering op het toestemmingsvereiste: Veronderstelde toestemming

Toestemming wordt verondersteld en hoeft niet expliciet te worden gevraagd als een gedragswetenschapper informatie deelt met een andere beroepskracht die bij hetzelfde type hulp aan dezelfde cliënt is betrokken. Zo hoeft voor een overleg tussen een gedragswetenschapper en een groepsleider over de jeugdhulp aan een cliënt geen toestemming te worden gevraagd. Hetzelfde geldt voor het overleg tussen een verzorgende en een gedragswetenschapper die beiden betrokken zijn bij de uitvoering van het zorgplan voor een bewoner van een verpleeghuis. Wel moet toestemming worden gevraagd als een gedragswetenschapper over een cliënt wil overleggen met een beroepskracht die een ander type hulp biedt. Zo vraagt de gedragswetenschapper toestemming aan zijn cliënt voor overleg met de huisarts of met het maatschappelijk werk.

Uitzondering op het toestemmingsvereiste: Informatierecht Veilig Thuis

Het meldrecht geeft gedragswetenschappers het recht op verzoek van Veilig Thuis informatie te delen. Hiervoor is geen toestemming nodig. Voorwaarde is dat de gedragswetenschapper alleen noodzakelijke informatie deelt voor het beoordelen van de veiligheid of voor het stoppen van het geweld. Als tweede voorwaarde geldt dat de gedragswetenschapper de cliënt vooraf informeert zodat deze weet welke informatie wordt gedeeld met Veilig Thuis, zoals beschreven in paragraaf 3.3.

Uitzondering op het toestemmingsvereiste: Conflict van plichten

Het meldrecht richt zich alleen op het delen van informatie met Veilig Thuis. Van dit recht kan geen gebruik worden gemaakt voor het delen van informatie met andere hulpverleners of instanties, zoals bijvoorbeeld de huisarts of maatschappelijk werk. Daarvoor heeft de gedragswetenschapper toestemming nodig van de cliënt. Dit toestemmingsvereiste is niet absoluut. Een gedragswetenschapper kan beklemd raken tussen twee plichten: de plicht te zwijgen en de plicht te spreken. Op basis van een zorgvuldige afweging kan een gedragswetenschapper besluiten zonder toestemming informatie te delen als dit de enige manier is (het aanzienlijk risico op) ernstige schade bij de cliënt of bij een ander te beperken of te voorkomen.

Meldrecht en meldcode

Een gedragswetenschapper die signalen heeft van kindermishandeling of huiselijk geweld, kan een melding doen bij Veilig Thuis. De gedragswetenschapper maakt dan gebruik van het meldrecht.51 Dit meldrecht houdt in dat voor het doen van de melding geen toestemming nodig is van de cliënt. Wel wordt van gedragswetenschappers gevraagd dat zij bij signalen of vermoedens van kindermishandeling of huiselijk geweld of de stappen van de meldcode zetten om zo tot een zorgvuldig besluit te komen over het al dan niet doen van een melding.52

Geweld van een beroepskracht t.o.v. een cliënt en tussen cliënten onderling, valt buiten de reikwijdte van het meldrecht en de meldcode. Bij dit type geweld heeft de (bestuurder van) de zorgaanbieder een meldplicht bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd.53

Ook geweld van een jeugdhulpverlener t.o.v. een cliënt en tussen cliënten onderling valt buiten de reikwijdte van het meldrecht en de meldcode. Voor dit geweld geldt eveneens een meldplicht bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd.54

Tucht- en klachtrecht

Orthopedagogen-generalist en gezondheidszorgpsychologen vallen onder het BIG- tuchtrecht. Voor gedragswetenschappers die zijn geregistreerd in het SKJ-register, geldt het SKJ-tuchtrecht. Is de gedragswetenschapper lid van een beroepsvereniging (NIP of NVO) dan geldt (ook) het verenigingstuchtrecht. Daarnaast verplicht de Wkkgz zorginstellingen en vrijgevestigde zorgverleners een klachtenregeling te hebben. De Jeugdwet kent eenzelfde verplichting.

Zie ook paragraaf:

Casus “Wat betekent het gedrag van de dochter?”

Een orthopedagoog krijgt van Veilig Thuis de vraag naar de problematiek en de behandeling van een negenjarige cliënt want het gedrag van het kind speelt mogelijk een rol bij de mishandeling door haar ouders. De orthopedagoog zoekt eerst contact met de ouders en vertelt hen dat ze van plan is het gedrag van de dochter te beschrijven en ook haar diagnose met Veilig Thuis te delen. De ouders hebben er vooral moeite mee dat de orthopedagoog de diagnose met Veilig Thuis deelt. De orthopedagoog vraagt zich af hoe ze tot een zorgvuldig besluit kan komen.

Lydia zegt:De orthopedagoog handelt correct door eerst contact te zoeken met de ouders om hen te informeren. Daarna moet ze besluiten welke informatie ze over het meisje verstrekt en vooral of het noodzakelijk is de diagnose met Veilig Thuis te delen. Wellicht is het voor de veiligheidsbeoordeling en voor het in gang zetten van hulp aan de ouders voldoende Veilig Thuis een beschrijving te geven van het gedrag dat het meisje laat zien. Vaak is zo’n beschrijving van het gedrag voor Veilig Thuis informatiever omdat een diagnose tamelijk algemeen is en weinig zegt over het specifieke gedrag van de cliënt.

Casus “Alleen van de cliënt”

De partner van een cliënt dient een klacht in tegen de psycholoog omdat de psycholoog in een melding van huiselijk geweld o.a. stelt: ‘mijn cliënt wordt nagenoeg ieder weekend in elkaar geslagen door de partner. Mijn cliënt liet mij letsel zien dat door recent geweld zou zijn veroorzaakt maar mij ontbreekt de deskundigheid om de oorzaak van dit letsel vast te stellen. De partner drinkt veel en is snel agressief.’

De partner verwijt de psycholoog dat ze in haar melding niet voldoende duidelijk maakt dat haar melding alleen is gebaseerd op wat de cliënt haar vertelde.

Lydia zegt:De klacht van de partner is terecht. De psycholoog had duidelijker aan moeten geven van wie de informatie over het geweld afkomstig was. Ook had ze moeten vermelden of ze de partner zelf gesproken heeft.

Terzijde: de informatie over de wond is wel zorgvuldig geformuleerd.


  1. Dit meldrecht staat in artikel 5.2.6 Wmo. 

  2. De verplichting een meldcode te hebben en te gebruiken is opgenomen in de verschillende ‘domein’ wetten. Afhankelijk van het werkveld van de gedragswetenschapper geldt bijvoorbeeld de verplichting van de Jeugdwet, van de Wmo of van de Wkkgz. 

  3. Artikel 11 lid 1 Wet Kwaliteit klachten geschillen zorg. De meldplicht voor geweld tussen cliënten geldt alleen als zij minimaal een dagdeel in een instelling verblijven en door het geweld medische of gedragsdeskundige behandeling noodzakelijk was en/of de politie betrokken was bij het geweld. Lichamelijk, geestelijk en seksueel geweld van een zorgverlener t.o.v. een cliënt moet altijd worden gemeld evenals seksueel geweld (in een intramurale setting) tussen cliënten. 

  4. Artikel 4.1.8 Jeugdwet. Voor deze meldplicht bij geweld tussen cliënten gelden dezelfde voorwaarden zoals beschreven in de voetnoot over de meldplicht in de Wkkgz. 

Jeugdhulp en jeugdbescherming

Wettelijk kader

Voor jeugdhulpverleners en jeugdbeschermers is de zwijgplicht, ook wel het beroepsgeheim genoemd, vastgelegd in de Jeugdwet en o.a. uitgewerkt in de SKJ Beroepscode.

Let op!

Met jeugdbeschermer doelt deze handreiking op iedere beroepskracht die namens een gecertificeerde instelling een door de rechter opgelegde ondertoezichtstelling of voogdijmaatregel uitvoert, of die een door de rechter of officier van justitie opgelegde jeugdreclasseringsmaatregel uitvoert.

Beroepsgeheim

De zwijgplicht, ook wel het beroepsgeheim genoemd, houdt in dat de jeugdhulpverlener en de jeugdbeschermer gericht toestemming moeten vragen en krijgen van hun cliënt voor het delen van informatie. Dit zwijgrecht is een belangrijk instrument om te zorgen dat iedereen zich vrij voelt een beroep te doen op de hulp van een jeugdhulpverlener en/of een jeugdbeschermer en vrij uit met hen te spreken.

Leeftijdsgrens

Is een cliënt nog geen twaalf jaar, dan vraagt de beroepskracht toestemming aan de gezaghebbende ouders voor het delen van informatie. Vanaf 12 jaar beslist de cliënt hier zelf over. Wordt informatie over een jongere vanaf 12 jaar én over zijn ouders gedeeld, dan is hiervoor ook de toestemming van de ouders nodig.

Uitzondering op het toestemmingsvereiste: Veronderstelde toestemming

Toestemming wordt verondersteld als een jeugdhulpverlener of jeugdbeschermer informatie deelt met een beroepskracht die bij hetzelfde type jeugdhulp/of bij de uitvoering van dezelfde jeugdbeschermingsmaatregel aan dezelfde cliënt is betrokken. Zo hoeft een jeugdhulpverlener geen toestemming te vragen als hij met de coördinerende gedragswetenschapper in de instelling wil overleggen over signalen van kindermishandeling. De jeugdhulpverlener moet wel toestemming vragen voor overleg over deze signalen met de school, omdat de school niet hetzelfde type hulp biedt aan de cliënt/leerling.

Uitzondering op het toestemmingsvereiste: Jeugdbescherming

Vanwege het gedwongen karakter van een ondertoezichtstelling, een voogdijmaatregel en een maatregel van jeugdreclassering hebben jeugdbeschermers geen toestemming nodig voor het delen van informatie met de rechtbank (of bij jeugdreclassering: met de officier van justitie die de maatregel heeft opgelegd). Jeugdbeschermers kunnen eveneens zonder toestemming informatie opvragen en verstrekken aan beroepskrachten die direct zijn betrokken bij de uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregel.

Zie voor het meldrecht en de informatieplicht ten opzichte van de gezinsvoogd paragraaf 3.4.

Uitzondering op het toestemmingsvereiste: Informatierecht Veilig Thuis

Op basis van het wettelijk meldrecht kan een jeugdhulpverlener of een jeugdbeschermer ook op verzoek van Veilig Thuis informatie over de cliënt delen. Dit kan zonder toestemming van de cliënt. Voorwaarde is dat de beroepskracht alleen noodzakelijke informatie deelt voor het beoordelen van de veiligheid of voor het stoppen van de kindermishandeling of het huiselijk geweld . Als tweede voorwaarde geldt dat de jeugdhulpverlener of de jeugdbeschermer de cliënt informeert zodat deze weet welke informatie wordt gedeeld met Veilig Thuis, zoals beschreven in paragraaf 3.3.

Uitzondering op het toestemmingsvereiste: Conflict van plichten

Het wettelijk meldrecht richt zich alleen op informatie delen met Veilig Thuis. Van dit recht kan geen gebruik worden gemaakt voor het delen van informatie met andere hulpverleners of instanties, zoals de school of een jeugdarts. Daarvoor heeft de jeugdhulpverlener toestemming nodig van zijn cliënt. Dit toestemmingsvereiste is niet absoluut. Een jeugdhulpverlener kan beklemd raken tussen twee plichten: de plicht te zwijgen en de plicht te spreken. Op basis van een zorgvuldige afweging kan een jeugdhulpverlener besluiten zonder toestemming informatie te delen als dit noodzakelijk is (het aanzienlijk risico op) ernstige schade bij de cliënt of bij een ander te beperken of te voorkomen.

Omdat jeugdbeschermers meer mogelijkheden hebben zo nodig zonder toestemming van een cliënt informatie met een andere beroepskracht of een andere instantie te delen, doet zich wat minder snel een situatie voor waarin een jeugdbeschermer een beroep moet doen op een conflict van plichten. Maar zo nodig is ook voor jeugdbeschermers een beroep op een conflict van plichten mogelijk.

Meldrecht en meldcode

Bij signalen van kindermishandeling of huiselijk geweld kunnen jeugdhulpverleners een melding doen bij Veilig Thuis. Jeugdhulpverleners maken dan gebruik van hun meldrecht55. Dit wil zeggen dat jeugdhulpverleners voor het doen van de melding geen toestemming nodig hebben van de cliënt. Wel wordt van jeugdhulpverleners gevraagd bij signalen of vermoedens van kindermishandeling of huiselijk geweld de stappen van de meldcode te zetten om tot een zorgvuldig besluit te komen over het al dan niet doen van een melding.56

Bij signalen van kindermishandeling of huiselijk geweld overlegt de jeugdbeschermer met Veilig Thuis om te bespreken of binnen het kader van de maatregel die al is opgelegd voldoende wordt gedaan voor de veiligheid van de cliënt en die van anderen.

Geweld van een jeugdhulpverlener of een jeugdbeschermer t.o.v. een cliënt en geweld tussen cliënten onderling valt buiten de reikwijdte van het meldrecht en de meldcode. Aanbieders van jeugdhulp en gecertificeerde instellingen zijn verplicht dit type geweld zo spoedig mogelijk te melden bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd.57

Tucht- en klachtrecht

Jeugdhulpverleners en jeugdbeschermers die SKJ geregistreerd zijn, vallen onder het SKJ-tuchtrecht, BIG geregistreerde jeugdhulpverleners en jeugdbeschermers vallen onder het tuchtrecht van de wet BIG. Is de jeugdhulpverlener of de jeugdbeschermer lid van een beroepsvereniging, zoals de Beroepsvereniging van Professionals in Sociaal Werk (BPSW), het Nederlands Instituut van Psychologen (NIP) of de Nederlandse Vereniging van Pedagogen en Onderwijskundigen (NVO), dan geldt ook het betreffende verenigingstuchtrecht. Daarnaast verplicht de Jeugdwet aanbieders van jeugdhulp en gecertificeerde instellingen een klachtenregeling te hebben met een klachtencommissie met een onafhankelijke voorzitter.

Zie ook paragraaf:

Casus “Overleggen met de gedragsdeskundige”

Een jeugdhulpverlener biedt hulp aan een alleenstaande moeder en haar twee jonge kinderen. Conform de voorschriften van de instelling voert de beroepskracht regelmatig overleg met de gedragswetenschapper over de jeugdhulp die hij biedt. In dit overleg bespreekt hij ook signalen die mogelijkerwijs op verwaarlozing zouden kunnen wijzen. De jeugdhulpverlener vraagt voor dit overleg geen toestemming aan de moeder.

Lydia zegt:Dat is ook niet nodig. Toestemming wordt verondersteld voor het delen van informatie met andere professionals die rechtstreeks zijn betrokken bij de jeugdhulp aan dezelfde cliënt.

Casus “Alleen de feiten”

Veilig Thuis vraagt een jeugdhulpverlener informatie over een gezin waarmee de jeugdhulpverlener al lange tijd contact heeft. Op verzoek van de jeugdhulpverlener zet Veilig Thuis haar vragen op de (beveiligde) mail. De jeugdhulpverlener zoekt contact met de ouders en legt uit welke informatie hij van plan is te delen. Op basis van een aantal feiten wil de jeugdhulpverlener ook aan Veilig Thuis laten weten dat de kinderen zijns inziens opgroeien in een te onveilige situatie die schadelijk voor hen is. De ouders zijn het met dit oordeel niet eens en vragen de jeugdhulpverlener zich te beperken tot de feiten en zijn oordeel niet met Veilig Thuis te delen.

Lydia zegt:Enige terughoudendheid past bij het geven van oordelen. Meent de jeugdhulpverlener dat zijn professioneel oordeel over de gezinssituatie noodzakelijk is voor het onderzoek van Veilig Thuis of voor het stoppen van het geweld, dan kan hij besluiten bij het delen van informatie ook een oordeel te geven, ondanks de bezwaren van de ouders. Voorwaarde is dat het oordeel is gebaseerd op voldoende feiten en dat de jeugdhulpverlener binnen zijn deskundigheidsgebied blijft. Daarnaast is het belangrijk dat de jeugdhulpverlener feiten van meningen scheidt. Om de weerstanden bij de ouders te verminderen kan de jeugdhulpverlener de ouders vragen hun visie op zijn oordeel toe te voegen. Vaak is het voor Veilig Thuis voldoende om alleen de feiten te beschrijven aangezien de medewerkers van Veilig Thuis getraind zijn in het zelf oordelen over de veiligheid van een situatie op basis van feiten.

Casus “Meldcode of aangifte?”

In een gesprek tussen een ouder en een jeugdbeschermer over signalen van kindermishandeling lopen de emoties bij de ouder hoog op. De ouder is boos dat de jeugdbeschermer hem aanspreekt op zijn gedrag en op de schade die hij daarmee bij zijn kind aanricht. Voordat de ouder het gesprek beëindigt en vertrekt, slaat hij de jeugdbeschermer tweemaal in het gezicht. Als de jeugdbeschermer dit geweld meldt bij zijn leidinggevende, vragen zij zich af of ze de stappen van de meldcode moeten zetten.

Lydia zegt:De stappen van de meldcode zijn hier niet aan de orde want het gaat niet om geweld in de thuissituatie van de cliënt maar om geweld van een cliënt tegen een professional. Van dit geweld tegen een medewerker met een publieke taak behoort de werkgever als regel aangifte te doen. Op basis van landelijke afspraken pakken politie en Openbaar Ministerie deze zaken met voorrang op, niet alleen om te zorgen dat de dader gestraft wordt maar ook om duidelijk te maken dat geweld tegen dienstverleners met een publieke taak niet geaccepteerd wordt.

Als regel behoort de instelling de cliënt over de aangifte te informeren, tenzij dit niet verantwoord is vanwege de veiligheid van de medewerkers van de instelling.

Het onveilige gedrag van de ouder richting de jeugdbeschermer kan wel meespelen in de beoordeling of het gedrag van de ouder ook onveilig is richting de overige gezinsleden.


  1. Dit meldrecht staat in artikel 5.2.6 Wmo 

  2. De verplichting een meldcode te hebben en te gebruiken staat in artikel 4.1.7 Jeugdwet. 

  3. Artikel 4.1.8 Jeugdwet. Voor geweld tussen cliënten geldt dat dit alleen bij de Inspectie hoeft te worden gemeld als de cliënten minimaal een dagdeel in de instelling verblijven en door het geweld geneeskundige of gedragskundige behandeling noodzakelijk was en/of de politie betrokken was bij het geweld. Fysiek, geestelijk of seksueel geweld van een jeugdhulpverlener of een jeugdbeschermer ten opzichte van een cliënt en seksueel geweld tussen cliënten (in een intramurale setting) moet altijd worden gemeld. 

Kinderopvang en buitenschoolse opvang

Wettelijk kader

Voor het delen van informatie over kinderen van de kinderopvang met beroepskrachten en instanties buiten de kinderopvang, zoals de jeugdarts of de school, kent de kinderopvang geen eigen wetgeving. Het toestemmingsvereiste dat voor het delen van deze informatie geldt, is opgenomen in de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG).

Let op!

Met kinderopvang wordt in dit hoofdstuk gedoeld op de opvang van kinderen in de dagopvang, de buitenschoolse opvang en de opvang door gastouders via een gastouderbureau.

Informatie delen

Als de kinderopvang informatie wil delen over een kind met andere instanties of andere beroepskrachten, is daarvoor de toestemming nodig van de ouders. De kinderopvang moet deze toestemming gericht vragen en krijgen. Dit toestemmingsvereiste is een belangrijk instrument om te zorgen dat ouders vrij uit kunnen spreken met de kinderopvang over de opvoeding en de ontwikkeling van hun kind.

Uitzondering op het toestemmingsvereiste: Veronderstelde toestemming

Toestemming wordt verondersteld en behoeft niet expliciet te worden gevraagd als een medewerker van de kinderopvang informatie deelt met een collega die ook bij de kinderopvang van hetzelfde kind is betrokken. Zo hoeft er geen toestemming te worden gevraagd voor overleg tussen een pedagogisch professional en de leidinggevende of de pedagoog van de kinderopvang over mogelijke signalen van kindermishandeling bij een kind. Wel is toestemming nodig als de kinderopvang wil overleggen met een beroepskracht of een instantie die een ander type hulp biedt. Zo vraagt de kinderopvang toestemming aan de ouders voor overleg met de jeugdarts of met het wijkteam.

Volgt een kind voor- en vroegschoolse educatie (vve) dan is de kinderopvang wettelijk verplicht de basisschool te informeren over het programma dat het kind volgde en de duur van het gevolgde programma. Voor het delen van andere informatie met de basisschool, bijvoorbeeld over het gedrag van het kind of over de thuissituatie, is toestemming van de ouders nodig.

Uitzondering op het toestemmingsvereiste: Informatierecht Veilig Thuis

Op basis van het meldrecht kan de kinderopvang ook op verzoek van Veilig Thuis informatie over het kind en de ouders delen. Hiervoor is geen toestemming van de ouders nodig. Voorwaarde is dat de kinderopvang alleen noodzakelijke informatie deelt voor het beoordelen van de veiligheid of voor het stoppen van het geweld. Als tweede voorwaarde geldt dat de kinderopvang de ouders informeert zodat zij weten welke informatie met Veilig Thuis wordt gedeeld zoals beschreven in paragraaf 3.3.

Uitzondering op het toestemmingsvereiste: Conflict van plichten

Het meldrecht richt zich alleen op informatie delen met Veilig Thuis. Van dit recht kan geen gebruik worden gemaakt als de kinderopvang informatie wil delen met andere beroepskrachten en instanties zoals de school, of de jeugdhulpverlening. Daarvoor heeft de kinderopvang toestemming nodig van de ouders. Dit toestemmingsvereiste is niet absoluut. De kinderopvang kan beklemd raken tussen twee plichten: de plicht te zwijgen en de plicht te spreken. Op basis van een zorgvuldige afweging kan de kinderopvang besluiten zonder toestemming informatie te delen als dit noodzakelijk is (een aanzienlijk risico op) ernstige schade bij het kind of bij een ander te beperken of te voorkomen.

Meldrecht en meldcode

Als de kinderopvang signalen heeft van kindermishandeling of huiselijk geweld, kan de kinderopvang een melding doen bij Veilig Thuis. De kinderopvang maakt dan gebruik van het meldrecht.58Dit wil zeggen dat de kinderopvang voor het doen van de melding geen toestemming nodig heeft van de ouders. Wel wordt van de kinderopvang gevraagd dat zij bij signalen of vermoedens van kindermishandeling of huiselijk geweld de stappen van de meldcode zet om zo tot een zorgvuldig besluit te komen over het al dan niet doen van een melding.59

Geweld van een medewerker t.o.v. een kind in de kinderopvang valt buiten de reikwijdte van het meldrecht en de meldcode. Voor alle medewerkers van de kinderopvang geldt een meldplicht als zij weten of vermoeden dat een andere medewerker van de kinderopvang ontucht of seksueel misbruik pleegt met een kind van de kinderopvang. Dit moet zo spoedig mogelijk worden gemeld bij de houder van de kinderopvang. De houder is vervolgens verplicht contact op te nemen en te overleggen met de vertrouwensinspecteur Kinderopvang van de inspectie van het Onderwijs. Doel van dit overleg met de Inspectie is te beoordelen of inderdaad sprake is van een redelijk vermoeden van seksueel misbruik of ontucht. In dat geval is de houder van de kinderopvang verplicht aangifte van het zedenmisdrijf te doen bij de politie. Voordat aangifte wordt gedaan zoekt de kinderopvang contact met de ouders om hen over het seksueel misbruik en de aangifte te informeren.60

Tucht- en klachtrecht

Individuele medewerkers van de kinderopvang kunnen onder een of meer vormen van tuchtrecht vallen als zij SKJ -of BIG-geregistreerd zijn, of lid zijn van een beroepsvereniging die verenigingstuchtrecht kent zoals het Nederlands Instituut van Psychologen (NIP), de Nederlandse Vereniging van Pedagogen en Onderwijskundigen (NVO) en de Beroepsvereniging van Professionals in Sociaal Werk (BPSW). Daarnaast is de kinderopvang verplicht een klachtenprocedure te hebben.61

Zie ook paragraaf:

Casus “Melding verplicht?”

De kinderopvang heeft zorgen over de thuissituatie van een driejarige jongen. De locatieleidster die aandachtsfunctionaris kindermishandeling is, besprak de zorgen al enige keren met de moeder. Zij deelt de zorgen niet en ze ziet ook geen reden gebruik te maken van de opvoedondersteuning die de kinderopvang haar in het laatste gesprek dringend aanraadt. In de maanden daarna nemen de zorgen over de jongen toe. De aandachtsfunctionaris vraagt zich af of ze nu verplicht is een melding te doen.

Lydia zegt:Er geldt geen meldplicht. Van de aandachtsfunctionaris wordt gevraagd op basis van de stappen van de meldcode tot een beslissing te komen over het al dan niet doen van een melding en het inzetten van hulp. Omdat de zorgen toenemen en het geweld een structureel karakter heeft, is het doen van een melding noodzakelijk, gelet op het afwegingskader bij stap 4 en 5. De aandachtsfunctionaris kan over haar afweging eerst nog advies vragen aan Veilig Thuis. Beslist ze te melden, dan zoekt de aandachtsfunctionaris eerst opnieuw contact met de moeder om haar over de inhoud van de melding en de reden voor de melding te informeren.

Heeft het kind een tweede gezaghebbende ouder, dan moet de aandachtsfunctionaris ook met hem of haar in gesprek gaan over de zorgen en over de melding.


  1. Dit meldrecht is opgenomen in artikel 5.2.6 Wmo. 

  2. De verplichting een meldcode te hebben en te gebruiken staat voor de kinderopvang in artikel 1.51a Wet kinderopvang. 

  3. Artikel 1.51b lid 3 Wet kinderopvang. 

  4. Artikel 1.57b en c Wet kinderopvang 

Leerplicht

Wettelijk kader

Leerplichtambtenaren oefenen namens het gemeentebestuur toezicht uit op de naleving van de leerplicht. Voor het delen van informatie over leerlingen hebben de leerplichtambtenaren geen toestemming nodig. De wettelijke basis daarvoor is de specifieke overheidstaak die bestaat uit het houden van toezicht op de leerplicht zoals beschreven in de Leerplichtwet.62

Informatie delen

De leerplichtambtenaar heeft als toezichthoudende ambtenaar geen toestemming nodig informatie te delen met andere instanties. Informatie kan worden gedeeld over het feitelijke schoolverzuim en over de omstandigheden die het schoolverzuim veroorzaken, of die de terugkeer naar school belemmeren of bevorderen. Stelt de leerplichtambtenaar een onderzoek in naar de oorzaken van het schoolverzuim, dan legt hij in zijn contacten met de ouders en de leerling uit wie hij als informanten gaat benaderen en met wie hij gaat overleggen. Hij bespreekt ook de uitkomsten van zijn onderzoek met de ouders en/ of de leerling.

Informatie verstrekken aan de leerplichtambtenaar

Omdat de leerplichtambtenaar een toezichthoudende ambtenaar is, is een ieder verplicht hem in zijn toezichthoudende taak medewerking te verlenen en de relevante informatie die de leerplichtambtenaar opvraagt met hem te delen.63 De verplichting om informatie te verstrekken geldt niet voor hulpverleners met een geheimhoudingsplicht. Zij hebben als regel toestemming van hun cliënt nodig voor het delen van informatie met de leerplichtambtenaar. Krijgen ze deze toestemming niet, dan kunnen ze in uitzonderlijke situaties toch informatie delen als dit noodzakelijk is om (een aanzienlijk risico op) ernstige schade bij de leerling of bij een ander te beperken of te voorkomen.

Let op!

Uitzondering op het toestemmingsvereiste: Informatierecht van Veilig Thuis

Op basis van het meldrecht kunnen leerplichtambtenaren ook op verzoek van Veilig Thuis informatie delen. Hiervoor is geen toestemming nodig van de ouders. Voorwaarde is dat de leerplichtambtenaar alleen noodzakelijke informatie deelt voor het beoordelen van de veiligheid of voor het stoppen van het geweld. Als tweede voorwaarde geldt dat de leerplichtambtenaar de ouder informeert zodat deze weet welke informatie wordt gedeeld met Veilig Thuis, zoals beschreven in paragraaf 3.3.

Meldrecht en meldcode

Als leerplichtambtenaren signalen hebben van kindermishandeling of huiselijk geweld, kunnen zij een melding doen bij Veilig Thuis. Leerplichtambtenaren maken dan gebruik van het meldrecht.64 Dit wil zeggen dat de leerplichtambtenaren voor het doen van de melding geen toestemming nodig hebben van de ouders of de leerling. Wel wordt van leerplichtambtenaren gevraagd dat zij bij signalen of vermoedens van kindermishandeling of huiselijk geweld de stappen zetten van de meldcode om zo tot een zorgvuldig besluit te komen over het al dan niet doen van een melding.

Tucht- en klachtrecht

Voor leerplichtambtenaren geldt geen tuchtrecht maar wel klachtrecht. Klachten over het handelen van leerplichtambtenaren worden behandeld volgens de klachtenregeling van de gemeente waarvoor de leerplichtambtenaar werkzaam is.

Zie ook paragraaf:

Casus “Heeft leerplicht een rol?”

Door een gezamenlijke inspanning van de leerplichtambtenaar, de school en de ouders lukt het om een leerling (13) weer onderwijs te laten volgen. Wel zijn bij de leerplichtambtenaar in de gesprekken bij de leerling thuis vermoedens ontstaan van kindermishandeling. De leerplichtambtenaar vraagt zich af of hij hierin nog een rol heeft nu het schoolverzuim succesvol is aangepakt. Ligt dit niet meer op de weg van de school?

Lydia zegt:De leerplichtambtenaar moet bij signalen van kindermishandeling of huiselijk geweld zelf de stappen van de meldcode zetten, ongeacht of de signalen met schoolverzuim te maken hebben en of de leerling inmiddels weer naar school gaat. Het zetten van de stappen kan niet worden overgedragen aan de school.


  1. De AVG noemt deze grondslag een taak ‘van algemeen belang’ 

  2. Artikel 5.20 Algemene wet bestuursrecht. 

  3. Dit meldrecht staat in artikel 5.2.6 Wmo. 

Maatschappelijke opvang en vrouwenopvang

Wettelijk kader

Het wettelijk kader voor de maatschappelijke opvang en de vrouwenopvang is te vinden in de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). In deze wet staat het toestemmingsvereiste dat geldt voor het delen van informatie over cliënten met anderen.65

Hoewel de vrouwenopvang en de maatschappelijke opvang twee verschillende vormen van opvang zijn met eigen doelgroepen, worden ze in deze handreiking in één hoofdstuk besproken omdat voor beide vormen van opvang dezelfde (privacy)regels gelden.

Let op!

Informatie delen

Het toestemmingsvereiste in de opvang, zoals vastgelegd in de Wmo, houdt in dat de beroepskrachten gericht toestemming moeten vragen en krijgen van hun cliënt om informatie met anderen te delen.

Veel medewerkers in de opvang zullen daarnaast gebonden zijn aan een (met het toestemmingsvereiste vergelijkbaar) beroepsgeheim op grond van hun SKJ- of BIG-registratie, of op basis van hun lidmaatschap van een beroepsvereniging zoals de Beroepsvereniging voor Professionals in Sociaal Werk (BPSW), de Nederlandse Vereniging van Pedagogen en Onderwijskundigen (NVO) en het Nederlands Instituut van Psychologen (NIP).

Beroepsgeheim – ook wel zwijgrecht – en toestemmingsvereiste vormen een belangrijk instrument om er voor te zorgen dat cliënten zich vrij voelen een beroep te doen op de opvang en daar in vrijheid te spreken over hun zorgen en problemen.

Leeftijdsgrens

Is een cliënt nog geen 12 jaar, dan vraagt de opvang toestemming aan de gezaghebbende ouders voor het delen van informatie. Vanaf 12 jaar beslist de cliënt hier zelf over. Wordt informatie over een jongere vanaf 12 jaar én over zijn ouders gedeeld, dan is daarvoor ook de toestemming van de ouders nodig.

Uitzondering op het toestemmingsvereiste: Veronderstelde toestemming

Toestemming wordt verondersteld en hoeft niet expliciet te worden gevraagd als een medewerker van de opvang informatie deelt met een collega die ook bij de opvang van dezelfde cliënt is betrokken. Zo is geen toestemming nodig voor overleg tussen de begeleiders van de cliënt en de gedragswetenschapper die een coördinerende rol heeft in deze begeleiding. Wel is toestemming nodig als de begeleiding van de opvang wil overleggen met een beroepskracht of een instantie die een ander type hulp biedt. Zo vraagt de opvang toestemming aan de cliënt als ze wil overleggen met de huisarts van een cliënt.

Uitzondering op het toestemmingsvereiste: Informatierecht Veilig Thuis

Op basis van het meldrecht kan de opvang ook op verzoek van Veilig Thuis informatie over de cliënt delen. Hiervoor is geen toestemming nodig van de cliënt. Voorwaarde is dat de opvang alleen de informatie deelt die nodig is voor de beoordeling van de veiligheid van de cliënt of een ander of voor het stoppen van het geweld. Tweede voorwaarde is dat de opvang de cliënt informeert zodat deze weet welke informatie met Veilig Thuis is gedeeld, zoals beschreven in paragraaf 3.3.

Uitzondering op het toestemmingsvereiste: Conflict van plichten

Het meldrecht richt zich alleen op informatie delen met Veilig Thuis. Van dit recht kan geen gebruik worden gemaakt voor het delen van informatie met andere beroepskrachten en instanties zoals de huisarts, jeugdhulp of de politie. Daarvoor heeft de opvang toestemming nodig van de cliënt. Dit toestemmingsvereiste is niet absoluut. De opvang kan beklemd raken tussen twee plichten: de plicht te zwijgen en de plicht te spreken. De opvang kan besluiten toch informatie te delen, zonder toestemming, als het delen van informatie noodzakelijk is (een aanzienlijk risico op) ernstige schade voor de cliënt of voor een ander te beperken of te voorkomen.

Meldrecht en meldcode

Als de opvang signalen heeft van kindermishandeling of huiselijk geweld, kan de opvang een melding doen bij Veilig Thuis. De opvang maakt dan gebruik van het meldrecht.66 Dit wil zeggen dat de opvang voor het doen van de melding geen toestemming nodig heeft van de cliënt. Wel wordt van de opvang verwacht dat zij bij signalen of vermoedens van kindermishandeling en huiselijk geweld de stappen van de meldcode zet om zo tot een zorgvuldig besluit te komen over het al dan niet doen van een melding.67

Geweld van een beroepskracht ten opzichte van een cliënt en geweld tussen cliënten onderling valt buiten de reikwijdte van de meldcode en het meldrecht. Bij dit geweld is de bestuurder van de opvang verplicht dit te melden bij de ‘door het gemeentebestuur aangewezen toezichthoudende ambtenaar’’.68

Tucht- en klachtrecht

Individuele beroepskrachten van de opvang kunnen onder een of meer vormen van tuchtrecht vallen als zij SKJ -of BIG-geregistreerd zijn, of lid zijn van een beroepsvereniging die verenigingstuchtrecht kent zoals het Nederlands Instituut van Psychologen (NIP), de Nederlandse Vereniging van Pedagogen en Onderwijskundigen (NVO) en de Beroepsvereniging van Professionals in Sociaal Werk (BPSW). Daarnaast verplicht de Wmo aanbieders van maatschappelijke ondersteuning, zoals de opvang, een klachtenregeling te hebben.

Zie ook paragraaf:

Casus “Terug naar huis”

Een cliënt van de vrouwenopvang heeft al snel weer contact met haar vriend, de pleger van langdurig en ernstig fysiek geweld. De vrouw zegt dat ze zelf kiest voor het weer oppakken van het contact. Maar de opvang heeft aanwijzingen dat de vriend druk op haar uitoefent om terug te komen. Bovendien is de verblijfsstatus van de vrouw gekoppeld aan haar relatie. Een paar dagen later, als de vrouw weer op bezoek is bij haar vriend, laat ze de opvang telefonisch weten dat ze weer thuis gaat wonen en bij haar vriend blijft. De vriend komt binnenkort haar spullen wel even halen. Als de opvang de volgende dag contact zoekt om aan te dringen op een gesprek laat de vrouw weten dat ze haar met rust moeten laten omdat het anders onveilig voor haar wordt.

Lydia zegt:De vrouwenopvang kan, de stappen van de meldcode volgend, bij stap 5 beslissen een melding te doen van signalen die wijzen op een aanzienlijk risico dat opnieuw geweld wordt gepleegd tegen een cliënt die vanwege eerder geweld in de opvang verbleef. Belangrijk is dat bij stap 3 aan de vrouw wordt verteld dat een melding wordt gedaan.

Casus “Ruzie”

In de opvang voor dak- en thuislozen breekt een ruzie uit tussen een aantal cliënten. Een van de cliënten moet daarna vanwege een hoofdwond worden behandeld op de Spoedeisende Hulp. De beroepskrachten van de opvang vragen zich af of ze de meldcode in gang moeten zetten en een melding moeten doen bij Veilig Thuis.

Lydia zegt:Geweld tussen cliënten in de opvang valt buiten de meldcode en het meldrecht. Dit geweld moet de bestuurder van de opvang melden bij de gemeente (bij de ‘door het gemeentebestuur aangewezen toezichthoudende ambtenaar’).

Let op!

Niet alle geweld tussen cliënten hoeft te worden gemeld, alleen ernstig geweld, waarvoor achteraf medische of gedragskundige behandeling nodig was (zoals in deze casus), of waarbij de politie betrokken werd.


  1. Artikel 5.3.3 Wmo. 

  2. Dit meldrecht is opgenomen in artikel 5.2.6 Wmo. 

  3. De verplichting de meldcode te gebruiken wordt voor de opvang afgeleid uit artikel 3.3 Wmo. 

  4. Zie artikel 3.4 Wmo. Geweld van cliënten onderling hoeft alleen te worden gemeld als de cliënten minstens een dagdeel verblijven in de accommodatie én vanwege het geweld medische of gedragskundige behandeling nodig was en/of als de politie betrokken werd. Lichamelijk, geestelijk en seksueel geweld van een medewerker ten opzichte van een cliënt en seksueel geweld tussen cliënten (in een intramurale setting) onderling, moet altijd worden gemeld. 

Onderwijs

Wettelijk kader

Voor het delen van informatie over leerlingen met beroepskrachten en instanties buiten de school, zoals een jeugdhulpverlener, de jeugdarts, of de buitenschoolse opvang, kent het onderwijs geen eigen wetgeving. Het toestemmingsvereiste dat voor het delen van deze informatie geldt, is opgenomen in de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). De leeftijdsgrens van 16 jaar die geldt bij het geven van toestemming, is opgenomen in de Uitvoeringswet AVG.

Let op!

Met de term ‘school’ wordt in dit hoofdstuk gedoeld op iedere vorm van basis-, voortgezet-, speciaal-, beroeps- en hoger onderwijs. Met ‘leerling’ wordt gedoeld op ieder die staat ingeschreven als leerling of student bij een van de voornoemde vormen van onderwijs.

Informatie delen

Als een school informatie wil delen met een andere instantie of beroepskracht van buiten de school, moet de school daar gericht toestemming voor vragen en krijgen. Dit toestemmingsvereiste is een belangrijk instrument om te zorgen dat ouders vrij uit kunnen spreken over de ontwikkeling en de opvoeding van hun kind.

Leeftijdsgrens

Is een leerling nog geen zestien jaar, dan vraagt de school toestemming aan de gezaghebbende ouders. Vanaf 16 jaar beslist de leerling hier zelf over. Wordt informatie over een jongere vanaf 16 jaar én over zijn ouders gedeeld, dan is hiervoor ook de toestemming van de ouders nodig.

Uitzondering op het toestemmingsvereiste: Onderwijskundig rapport

Als een leerling de basisschool verlaat en naar een andere basisschool of naar het (speciaal) voortgezet onderwijs gaat, is de school verplicht een onderwijskundig rapport op te stellen en dit aan de nieuwe school toe te zenden.69 Het onderwijskundig rapport bevat de leerresultaten en de leermogelijkheden van de leerling, informatie over eventuele begeleiding die de leerling krijgt en over zijn sociaal-emotionele ontwikkeling en zijn gedrag. Dit alles voor zover van belang voor het onderwijs en de begeleiding op de nieuwe school. Soms is het noodzakelijk in het onderwijskundig rapport informatie op te nemen over een ingrijpende gebeurtenis of de thuissituatie van de leerling, zoals het overlijden van een ouder, een ernstig ziek broertje of zusje of de betrokkenheid bij kindermishandeling of huiselijk geweld. Van de school die het onderwijskundig rapport opstelt wordt gevraagd uitsluitend feitelijke informatie te geven en alleen die informatie in het rapport op te nemen die de nieuwe school nodig heeft om goed onderwijs en goede begeleiding te geven.

De school informeert de ouders over de inhoud van het onderwijskundig rapport voordat dit aan de nieuwe school wordt toegezonden. Ouders hebben het recht hun eigen visie op het rapport toe te voegen en ze hebben het recht op correctie van feitelijk onjuiste informatie.

Let op!

Uitzondering op het toestemmingsvereiste: Informatierecht van Veilig Thuis

Op basis van het wettelijk meldrecht kan de school ook op verzoek van Veilig Thuis informatie over de leerling delen. Hiervoor is geen toestemming nodig van de ouders of de leerling. Voorwaarde is dat de school alleen noodzakelijke informatie deelt voor het beoordelen van de veiligheid of voor het stoppen van het geweld. Als tweede voorwaarde geldt dat de school de ouders en/of de leerling laat weten welke informatie met Veilig Thuis wordt gedeeld zoals beschreven in paragraaf 3.3.

Uitzondering op het toestemmingsvereiste: Conflict van Plichten

Het meldrecht richt zich alleen op informatie delen met Veilig Thuis. Van dit recht kan geen gebruik worden gemaakt voor het delen van informatie met andere beroepskrachten en instanties, zoals een huisarts of een jeugdhulpverlener. Daarvoor heeft de school toestemming nodig van de ouders of de leerling. Dit toestemmingsvereiste is niet absoluut. Een school kan beklemd raken tussen twee plichten: de plicht te zwijgen en de plicht te spreken. Op basis van een zorgvuldige afweging kan de school besluiten toch informatie te delen als dit noodzakelijk is (een aanzienlijk risico op) ernstige schade voor de leerling of voor een ander te beperken of te voorkomen.

Meldrecht en meldcode

Als een school signalen heeft van kindermishandeling of huiselijk geweld, kan de school een melding doen bij Veilig Thuis. De school maakt dan gebruik van het meldrecht.70 Dit wil zeggen dat de school voor het doen van de melding geen toestemming nodig heeft van de ouders of van de leerling. Wel wordt van de school gevraagd bij signalen of vermoedens van kindermishandeling of huiselijk geweld de stappen te zetten van de meldcode om zo tot een zorgvuldig besluit te komen over het al dan niet doen van een melding.71 Het meldrecht en het verplicht gebruik van de meldcode geldt ook voor onderwijsinstellingen met meerderjarige leerlingen en studenten.

Geweld van een medewerker van de school t.o.v. een leerling of tussen leerlingen onderling valt buiten de reikwijde van het meldrecht en de meldcode. Wel geldt in het onderwijs een meldplicht voor alle medewerkers van de school als zij weten of redelijkerwijs vermoeden dat een medewerker van de school seksueel misbruik of ontucht pleegt met een minderjarige leerling van de school. Dit moet zo snel mogelijk worden gemeld bij het bestuur van de school dat verplicht is contact op te nemen met de vertrouwensinspecteur van de Inspectie van het Onderwijs. Doel van dit overleg is te beoordelen of inderdaad sprake is van een redelijk vermoeden van seksueel misbruik of ontucht. Is dat het geval, dan is het bestuur van de school verplicht aangifte van het zedenmisdrijf te doen bij de politie. Voordat het bestuur aangifte doet, zoekt de school contact met de ouders en/of de leerling om hen over het seksueel misbruik en de aangifte te informeren.72

Tucht- en klachtrecht

Voor docenten geldt geen tuchtrecht, wel moet iedere school een klachtenregeling hebben op basis waarvan ouders en/of leerlingen kunnen klagen over het handelen van (medewerkers van) de school. Heeft de school geen eigen klachtencommissie dan moet de school zijn aangesloten op een regionale of landelijke klachtencommissie. De klachtprocedure kan enigszins verschillen per type onderwijs.

Zie ook paragraaf:

Casus “Geen zorgen”

De school wordt benaderd door Veilig Thuis met een informatieverzoek over een leerling en zijn thuissituatie. Volgens de school gaat het in de klas goed met de leerling en ook heeft de school geen signalen over problemen thuis. Daarom meent de school dat geen informatie kan worden gedeeld met Veilig Thuis.

Lydia zegt:De school mag deze ‘positieve’ informatie op basis van het informatierecht delen met Veilig Thuis, want ook de ervaringen en indrukken van beroepskrachten die geen zorgen hebben, zijn belangrijk voor de beoordeling van de veiligheid van de leerling. Voordat de school gebruik maakt van het recht informatie te delen met Veilig Thuis, zoekt de school contact met de ouders om hen te vertellen welke informatie men van plan is te delen.

Casus “Allemaal verzonnen”

Een leerling (13) vertelt aan zijn docent dat hij regelmatig geslagen wordt door de vriend van zijn moeder. In het gesprek dat de docent met de moeder voert wordt zij boos. Ze zegt dat haar zoon alles verzon omdat hij een hekel heeft aan haar vriend. De dag na het gesprek wordt de jongen ziek gemeld. Als hij twee weken later weer op school komt, wil hij nergens over praten want ‘daar komt alleen maar gedoe van’. De docent vraagt zich af wat hij kan doen.

Lydia zegt:De docent kan advies vragen aan de aandachtsfunctionaris en zo nodig ook aan Veilig Thuis en daarna proberen nog een keer in gesprek te gaan met de moeder (en haar vriend). Lukt dat niet, of worden de zorgen door het gesprek niet weggenomen, dan kan de school, de stappen van de meldcode volgend, overwegen een melding te doen bij Veilig Thuis. Uit de eventuele melding moet blijken dat de docent het slaan van de vriend niet zelf zag maar dit hoorde van de leerling. Ook moet de docent melden hoe het gesprek met de moeder (en de vriend) verliep. De school behoort de leerling en de moeder vooraf te informeren over de melding. Mocht de jongen ook een gezaghebbende vader hebben, dan moet de school ook met hem spreken en hem informeren over de melding.


  1. Artikel 42 Wet op het primair onderwijs. 

  2. Dit meldrecht staat in artikel 5.2.6 Wmo. 

  3. De verplichting een meldcode te hebben en deze te gebruiken geldt voor alle vormen van onderwijs, zie artikel 4b Wet op het primair onderwijs 2023, artikel 3.41 Wet voortgezet onderwijs 2020, artikel1.3.9 Wet educatie en beroepsonderwijs en artikel 1.21 Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. 

  4. Zie artikel 4a Wet op het primair onderwijs 2023, artikel 3.39 Wet voortgezet onderwijs 2020, artikel 1.3.8 Wet Educatie en beroepsonderwijs en artikel 1.20 Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. 

Penitentiaire inrichtingen

Wettelijk kader

De wet73 legt ambtenaren, en daarmee ook de medewerkers van penitentiaire inrichtingen, een geheimhoudingsplicht op. Dit wil zeggen dat de medewerkers van deze instellingen geen informatie met derden mogen delen over wat zich in de gevangenis of het huis van bewaring afspeelt en ook geen informatie aan derden mogen geven over (ex-)gedetineerden.

Informatie delen

Uitzondering op het toestemmingsvereiste: Informatierecht van Veilig Thuis

Op basis van het meldrecht kan een penitentiaire inrichting ook op verzoek van Veilig Thuis informatie over de gedetineerde en zijn thuissituatie delen. Hiervoor is geen toestemming nodig van de gedetineerde. Voorwaarde is dat de penitentiaire inrichting alleen noodzakelijke informatie deelt voor het beoordelen van de veiligheid van een of meer gezinsleden of voor het stoppen van het geweld. Als tweede voorwaarde geldt dat de penitentiaire inrichting de gedetineerde informeert zodat deze weet welke informatie met Veilig Thuis wordt gedeeld, zoals beschreven in paragraaf 3.3.

Meldrecht en meldcode

In geval van signalen die kunnen wijzen op huiselijk geweld en/of kindermishandeling in de thuissituatie van de gedetineerde, hebben penitentiaire inrichtingen het recht de signalen te melden bij Veilig Thuis. De penitentiaire inrichting maakt dan gebruik van het wettelijk meldrecht74 dat ook geldt voor beroepskrachten met een geheimhoudingsplicht. Het meldrecht wil zeggen dat de inrichting geen toestemming voor de melding nodig heeft van de gedetineerde. Wel wordt van de penitentiaire inrichting gevraagd dat de stappen van de meldcode worden gezet om zo te komen tot een zorgvuldig besluit over het al dan niet doen van de melding.75

Welke functionarissen binnen een penitentiaire inrichting de stappen van de meldcode zetten en wie verantwoordelijk is voor het besluit al dan niet een melding te doen, is vastgelegd in de meldcode van penitentiaire inrichting.

Het meldrecht en de meldcode richten zich niet op geweld in de penitentiaire inrichting maar op geweld in de thuissituatie van de gedetineerde. Bij interne misstanden kunnen gedetineerden gebruik maken van de klachtenregeling, zie daarover paragraaf 18.3.

Tucht- en klachtrecht

Individuele medewerkers van penitentiaire inrichtingen kunnen onder een of meer vormen van tuchtrecht vallen als zij SKJ of BIG-geregistreerd zijn, of als ze lid zijn van een beroepsvereniging met verenigingstuchtrecht zoals het Nederlands Instituut van Psychologen (NIP), de Nederlandse Vereniging van Pedagogen en Onderwijskundigen (NVO) of de Beroepsvereniging van Professionals in Sociaal Werk (BPSW).

Een gedetineerde met een klacht over gedrag van een medewerker of van de directeur, kan de onafhankelijke Commissie van Toezicht vragen om bemiddeling.76 De commissie hoort dan beide partijen en probeert een oplossing te zoeken en de onvrede weg te nemen.

Daarnaast heeft een gedetineerde het recht met een zogeheten klaagschrift beklag te doen bij de Commissie van Toezicht als hij het niet eens is met een besluit dat over hem wordt genomen, of als geweld op hem is toegepast.77 De Commissie van Toezicht komt na het horen van beide partijen tot een oordeel over de klacht.

Zie ook paragraaf:

Casus “Bezoek”

Tijdens het bezoek van de vriendin van een gedetineerde en hun nog jonge kind valt het de penitentiaire medewerker op dat de gedetineerde dreigende taal naar zijn vriendin uit en dat het kind daardoor angstig wordt. Ook tijdens een volgend bezoek wordt weer dreigende taal geuit door de gedetineerde en maakt het kind een angstige indruk. De penitentiair medewerker vraagt zich af of hij iets kan doen. Over enige weken zit de straf van de gedetineerde erop en keert hij terug naar zijn vriendin en kind.

Lydia zegt:Bij deze signalen worden de stappen van de meldcode gezet. Welke functionaris binnen de penitentiaire inrichting verantwoordelijk is voor het zetten van de stappen, staat beschreven in de meldcode van de penitentiaire inrichting. Hoe de taakverdeling ook is, na het signaleren van mogelijk huiselijk geweld door de penitentiair medewerker (stap 1), moeten binnen de inrichting de stappen 2 tot en met 5 worden gezet om zo tot een beslissing te komen of het noodzakelijk is om een melding te doen en of het mogelijk en nodig is hulp te organiseren.


  1. Artikel 9 Ambtenarenwet 2017. Medewerkers van penitentiaire inrichtingen die geen ambtenaar zijn, tekenen een geheimhoudingsverklaring bij de start van hun werkzaamheden. 

  2. Dit meldrecht is vastgelegd in artikel 5.2.6 Wmo. 

  3. Het verplicht gebruik van de meldcode wordt afgeleid uit de tekst van artikel 5b Beginselenwet Penitentiaire Inrichtingen. 

  4. Artikel 59a Penitentiaire Beginselenwet 

  5. Artikel 60 Penitentiaire Beginselenwet. 

Reclassering

Wettelijk kader

De wettelijke taken van de Reclassering78 bestaan o.a. uit het adviseren over aangehouden verdachten, het uitoefenen van toezicht op verdachten en veroordeelden en het organiseren van en toezien op werkstraffen. De Reclassering oefent zijn taken uit in opdracht van het Openbaar Ministerie, de rechtbank of het Ministerie van Justitie en Veiligheid. Als het voor de wettelijke taken van de Reclassering nodig is informatie te delen, is daarvoor geen toestemming nodig van de cliënt.

Informatie delen

Informatie delen in verband met de wettelijke taken

De wettelijke taken van de Reclassering maken het noodzakelijk dat informatie over cliënten wordt uitgewisseld, vooral binnen de justitieketen maar ook wel daarbuiten, bijvoorbeeld met instellingen waar werkstraffen worden uitgevoerd en met zorgaanbieders die zorg bieden in een strafrechtelijk kader. Voor het delen van informatie over een cliënt heeft de Reclassering geen toestemming nodig van de cliënt, voor zover de informatie nodig is voor het uitvoeren van de wettelijke taken. Wel behoort de cliënt hierover als regel vooraf te worden geïnformeerd. Bij rapportages en verslagen heeft de cliënt het recht om zijn mening of aanvullende informatie toe te voegen, voordat de informatie wordt verzonden aan het Openbaar Ministerie, de rechtbank of het Ministerie.

Ook voor het opvragen van informatie over de cliënt binnen de justitieketen en bij partners die rechtstreeks zijn betrokken bij de reclasseringstaken heeft de Reclassering geen toestemming nodig van de cliënt, wel wordt hij ook hierover geïnformeerd.

Anderszins informatie delen

De Reclassering heeft toestemming nodig van de cliënt als ze informatie deelt terwijl dit niet noodzakelijk is voor de uitvoering van de wettelijke taken.

Uitzondering op het toestemmingsvereiste: Informatierecht van Veilig Thuis

Op basis van het meldrecht kan de Reclassering ook op verzoek van Veilig Thuis informatie over de cliënt delen. Ook hiervoor is geen toestemming nodig. Voorwaarde is dat de Reclassering alleen noodzakelijke informatie deelt voor de beoordeling van de veiligheid van de cliënt of van een ander, of voor het stoppen van het geweld. Als tweede voorwaarde geldt dat de Reclassering de cliënt informeert zodat deze weet welke informatie wordt gedeeld met Veilig Thuis, zoals beschreven in paragraaf 3.3.

Meldrecht en meldcode

Als de Reclassering signalen heeft van kindermishandeling of huiselijk geweld, kan een melding worden gedaan bij Veilig Thuis. De Reclassering maakt dan gebruik van het meldrecht.79 Dit wil zeggen dat de Reclassering voor het doen van de melding geen toestemming nodig heeft van de cliënt. Wel wordt van de Reclassering gevraagd dat ze bij signalen of vermoedens van kindermishandeling of huiselijk geweld de stappen van de meldcode zet om zo tot een zorgvuldig besluit te komen over het al dan niet doen van een melding. Welke medewerkers van de Reclassering de stappen van de meldcode zetten en wie verantwoordelijk is voor het besluit al dan niet een melding te doen is vastgelegd in de meldcode van de Reclassering.

Tucht- en klachtrecht

Individuele medewerkers van de Reclassering kunnen onder een of meer vormen van tuchtrecht vallen als zij BIG- of SKJ-geregistreerd zijn, of lid zijn van een beroepsvereniging die verenigingstuchtrecht kent zoals de Beroepsvereniging van Professionals in Sociaal Werk (BPSW), de Nederlandse Vereniging van Pedagogen en Onderwijskundigen (NVO en het Nederlands Instituut van Psychologen (NIP). Daarnaast kent de Reclassering een klachtenregeling met eerst een interne klachtenprocedure en zo nodig daarna klachtbehandeling door de onafhankelijke klachtencommissie van de Reclassering.

Zie ook paragraaf:

Casus “Melding doen?”

De Reclassering begeleidt een man na zijn invrijheidstelling. Hij doet het goed: hij houdt zich aan de afspraken, mijdt contacten met vroegere (criminele) vrienden en volgt een opleiding gericht op het vinden van werk. Wel valt het de Reclassering bij bezoeken thuis bij de cliënt op dat het niet zo goed gaat met de kinderen (7 en 9 jaar): ze lijken niet vaak gewassen te worden, hun kleren zijn vies, ze zijn mager en ze maken een hongerige indruk. Als de Reclassering, in het kader van stap 3 van de meldcode, met beide ouders in gesprek gaat en op mogelijke hulp wijst, staan de ouders daar wel voor open. Maar bij een volgend huisbezoek is in de situatie van de kinderen niets veranderd en hebben de ouders zich nog niet aangemeld voor hulp. Twee maanden later is hulp nog steeds niet ingezet en met de kinderen lijkt het slechter te gaan. De Reclassering sluit binnenkort de begeleiding van de man af en vraagt zich ook daarom af wat ze moeten doen met de zorgen over de kinderen.

Lydia zegt:Ook al vallen de zorgen over de kinderen buiten het reclasseringstoezicht en doet de cliënt het voor de Reclassering goed, toch is de Reclassering terecht de stappen van de meldcode gaan zetten en bij stap 3 in gesprek gegaan met beide ouders. Van belang is dat de Reclassering ook met de kinderen in gesprek gaat om te horen wat zij van hun situatie vinden en wat ze zouden willen. De Reclassering kan, op basis van het afwegingskader, besluiten een melding te doen omdat de situatie van de kinderen verslechtert en de ouders feitelijk niet open blijken te staan voor hulp. Ook speelt bij het besluit over het al dan niet doen van een melding een rol dat de Reclassering uit het gezin gaat en de situatie van de kinderen niet meer kan volgen. Voordat de melding wordt gedaan informeert de Reclassering de cliënt en zijn vrouw over de melding.

Casus “Vals beschuldigd”

Een cliënt van de Reclassering dient een klacht in omdat een medewerker van de Reclassering hem ‘valselijk heeft beschuldigd’. Het gaat om een melding van signalen van huiselijk geweld. De medewerker heeft in de melding opgenomen dat de vriendin van de cliënt hem in vertrouwen heeft gezegd dat ze helemaal gek wordt van haar vriend die haar na zijn detentie dwangmatig van minuut tot minuut controleert en niet wil dat ze alleen op bezoek gaat bij vriendinnen of bij haar familie. De medewerker heeft in de melding duidelijk aangegeven dat de informatie van de vriendin afkomstig is. Ook staat in de melding dat de medewerker de melding niet met de cliënt heeft besproken omdat hij niet in kon schatten wat het voor de veiligheid van de vriendin zou betekenen als hij over de signalen van intieme terreur met de cliënt zou spreken.

Lydia zegt:Het is zorgvuldig dat de medewerker van de Reclassering in de melding duidelijk maakt van wie de informatie afkomstig is en waarom hij niet met de cliënt heeft gesproken. Toch roept het besluit niet met de cliënt over de signalen en de melding te spreken vragen op. Alleen bij zeer concrete aanwijzingen dat door het gesprek met de cliënt grote risico’s voor de veiligheid van de vriendin ontstaan, zou de medewerker bij wijze van hoge uitzondering besluiten de cliënt niet te informeren. Voordat de medewerker een dergelijk besluit neemt, vraagt hij advies aan de aandachtsfunctionaris en aan Veilig Thuis.


  1. Met ‘de Reclassering’ wordt gedoeld op de drie organisaties die in Nederland reclasseringstaken voor volwassenen uitvoeren: Reclassering Nederland, Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering en Stichting Verslavingsreclassering GGZ. 

  2. Dit meldrecht is vastgelegd in artikel 5.2.6 Wmo. 

Sociaal werk

Wettelijk kader

De zwijgplicht van de sociaal werker, ook wel het beroepsgeheim genoemd, wordt afgeleid uit drie algemene privacy bepalingen: artikel 8 van het Europees verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), artikel 10 van de Grondwet en artikel 285 Wetboek van Strafrecht. Dit beroepsgeheim is voor sociaal werkers vastgelegd en nader uitgewerkt in de Beroepscode voor Professionals in Sociaal Werk (BPSW) .

Voor de leeftijdsgrenzen bij het geven van toestemming is aansluiting gezocht bij de bepalingen voor medische hulpverleners in de WGBO en bij (de gelijkluidende bepalingen) in de Jeugdwet.

Beroepsgeheim

De zwijgplicht of het beroepsgeheim houdt in dat sociaal werkers gericht toestemming moeten vragen en krijgen van hun cliënt voor het delen van informatie. Dit beroepsgeheim is een belangrijk instrument om te zorgen dat iedereen zich vrij voelt een beroep te doen op de hulp van een sociaal werker en vrij uit te spreken.

Leeftijdsgrens

Is een cliënt nog geen twaalf jaar, dan vraagt de sociaal werker toestemming aan de gezaghebbende ouders voor het delen van informatie. Vanaf 12 jaar beslist de cliënt hier zelf over. Wordt informatie over een jongere vanaf 12 jaar én over zijn ouders gedeeld, dan is ook de toestemming van de ouders nodig.

Uitzondering op het toestemmingsvereiste: Veronderstelde toestemming

Toestemming wordt verondersteld als een sociaal werker informatie deelt met een professional die bij hetzelfde type hulp aan dezelfde cliënt is betrokken. Zo hoeft een sociaal werker niet expliciet toestemming te vragen als hij overlegt over zijn vermoedens van ouderenmishandeling met de gedragswetenschapper van zijn instelling die de hulp aan de cliënt coördineert. De sociaal werker moet wel toestemming vragen als hij over zijn cliënt wil overleggen met een professional die een ander type hulp biedt. Zo vraagt de sociaal werker toestemming aan zijn cliënt voor overleg met de huisarts.

Uitzondering op het toestemmingsvereiste: Informatierecht Veilig Thuis

Op basis van het wettelijk meldrecht kan de sociaal werker ook op verzoek van Veilig Thuis informatie over de cliënt delen 80 Dit kan zonder toestemming van de cliënt. Voorwaarde is dat de sociaal werker alleen noodzakelijke informatie deelt voor het beoordelen van de veiligheid of voor het stoppen van het geweld. Tweede voorwaarde is dat de sociaal werker de cliënt informeert zodat deze weet welke informatie wordt gedeeld met Veilig Thuis, zoals beschreven in paragraaf 3.3.

Uitzondering op het toestemmingsvereiste: Conflict van plichten

Het meldrecht richt zich alleen op informatie delen met Veilig Thuis. Van dit recht kunnen sociaal werkers geen gebruik maken voor het delen van informatie met andere hulpverleners of instanties, zoals de huisarts of de school. Daarvoor heeft de sociaal werker toestemming nodig van zijn cliënt. Dit toestemmingsvereiste is niet absoluut. Een sociaal werker kan beklemd raken tussen twee plichten: de plicht te zwijgen en de plicht te spreken. Op basis van een zorgvuldige afweging kan hij besluiten zonder toestemming van de cliënt informatie te delen omdat dit de enige manier is (een aanzienlijk risico op) ernstige schade bij de cliënt of bij een ander te beperken of te voorkomen.

Meldrecht en meldcode

Als sociaal werkers signalen hebben van kindermishandeling of huiselijk geweld, kunnen zij een melding doen bij Veilig Thuis. Sociaal werkers maken dan gebruik van hun meldrecht. Dit wil zeggen dat sociaal werkers voor het doen van de melding geen toestemming nodig hebben van hun cliënt.81 Wel wordt van sociaal werkers gevraagd dat zij bij signalen van kindermishandeling of huiselijk geweld de stappen van de meldcode zetten om tot een zorgvuldig besluit te komen over het al dan niet doen van een melding.82

Geweld van een sociaal werker ten opzichte van een cliënt en geweld tussen cliënten onderling valt buiten de reikwijdte van de meldcode en het meldrecht. Bij dit type geweld is de bestuurder van de instelling verplicht een melding te doen bij de ‘door het gemeentebestuur aangewezen toezichthoudende ambtenaar’’.83

Voor geweld van een sociaal werker in de jeugdhulp en voor geweld tussen cliënten onderling geldt eenzelfde regeling. Dit geweld moet de bestuurder melden bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd.84

Tucht- en klachtrecht

Sociaal werkers die SKJ geregistreerd zijn, vallen onder het SKJ tuchtrecht. Sociaal werkers die (ook) lid zijn van hun beroepsvereniging (BPSW) vallen (ook) onder het verenigingstuchtrecht. Daarnaast geldt in de instelling van de sociaal werker vaak een klachtenregeling op grond van de Wmo of de Jeugdwet.

Zie ook paragraaf:

Casus “Van horen zeggen”

Een sociaal werker beschrijft in een melding van ouderenmishandeling dat zijn cliënt (83) hem heeft verteld dat ze regelmatig door haar dochter wordt vastgebonden aan haar stoel. Ook heeft ze hem verteld dat ze soms hele dag in bed moet blijven liggen omdat haar dochter geen tijd heeft voor haar te zorgen. De sociaal werker schrijft ook in zijn melding dat hij tot driemaal toe heeft geprobeerd in gesprek te gaan met de dochter maar dat zij niet met hem wilde spreken. Na de melding dient de dochter een klacht tegen de sociaal werker in vanwege valse beschuldigingen die de sociaal werker alleen maar ‘van horen zeggen’ heeft.

Lydia zegt:De sociaal werker mag wat de cliënt hem over haar dochter heeft verteld in de melding opnemen. Belangrijk is dat de sociaal werker in zijn melding duidelijk maakt dat hij de informatie van zijn cliënt heeft gehoord en dat hij het gedrag van de dochter niet zelf heeft gezien. Ook heeft de sociaal werker terecht in de melding opgenomen dat het hem niet is gelukt de signalen met de dochter te bespreken.

Casus “Schending beroepsgeheim?”

Veilig Thuis vraagt een sociaal werker of hij weet of al eerder spanningen en mogelijk gewelddadige ruzies waren tussen zijn cliënte en haar vriendin. De sociaal werker heeft van zijn cliënte regelmatig gehoord over ruzies en spanningen en wil deze informatie met Veilig Thuis delen. Hij zoekt contact met zijn cliënte en vertelt haar welke informatie hij wil delen met Veilig Thuis. De cliënte wil dit beslist niet. De sociaal werker meent ondanks de duidelijke weigering van de cliënte dat hij toch Veilig Thuis moet informeren. Want hij vindt het belangrijk dat Veilig Thuis van hem hoort dat al lange tijd grote spanningen zijn tussen de cliënte en haar vriendin omdat hij zich zorgen maakt over de gevolgen die deze spanningen hebben voor de nog jonge kinderen van het paar. Enige weken later dient de cliënte een klacht in omdat de sociaal werker zijn beroepsgeheim heeft geschonden.

Lydia zegt:De sociaal werker handelt zorgvuldig door eerst contact te zoeken met de cliënte en de bezwaren van de cliënte af te wegen tegen het belang van de informatie waarover hij beschikt. Het informatierecht biedt de sociaal werker de mogelijkheid zonder toestemming van de cliënt informatie te delen met Veilig Thuis als deze informatie nodig is voor de veiligheidsbeoordeling en/of voor het stoppen van het geweld.


  1. Zie artikel 5.2.6 Wmo. 

  2. Dit meldrecht staat in artikel5.2.6 Wmo. 

  3. De verplichting een meldcode te hebben en te gebruiken is vastgelegd in verschillende ‘sector’ wetten. Is de sociaal werker werkzaam op het brede terrein van de maatschappelijke ondersteuning dan geldt de verplichting van artikel 3.3 Wmo. 

  4. Zie artikel 3.4 Wmo. Geweld van cliënten onderling hoeft alleen te worden gemeld als de cliënten minstens een dagdeel verblijven in de accommodatie én vanwege het geweld medische of gedragskundige behandeling nodig was en/of als de politie betrokken werd. Lichamelijk, geestelijk en seksueel geweld van een medewerker ten opzichte van een cliënt en seksueel geweld tussen cliënten (in een intramurale setting) moet altijd worden gemeld. 

  5. Artikel 4.1.8 Jeugdwet. Ook bij deze meldplicht voor de bestuurder gelden voor geweld tussen cliënten onderling de voorwaarden zoals beschreven bij de meldplicht van de Wkkgz. 

Wijkteams

Wettelijk kader

Het wettelijk kader van een gemeentelijk wijkteam, ook wel lokaal team genoemd, is niet eenvoudig. Want veel van deze teams oefenen twee geheel verschillende taken uit: ze vormen namens de gemeente de toegang tot jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning en ze bieden zelf ook jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning. Voor deze twee taken geldt een verschillend wettelijk kader. Kort gezegd kan voor de gemeentelijke taak informatie opgevraagd en verwerkt worden voor zover dit nodig is een besluit te nemen over (verlenging van) niet vrij toegankelijke jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning. Bij de hulpverlenende taak geldt voor de wijkteammedewerker een zwijgplicht.

Beroepsgeheim en geheimhoudingsplicht

Beroepsgeheim bij hulpverlenende taak

Het beroepsgeheim in het kader van de hulpverlenende taken van de professionals van de wijkteams – ook wel de zwijgplicht genoemd - houdt in dat zij gericht toestemming moeten vragen en krijgen van hun cliënt voor het delen van informatie met anderen. Deze zwijgplicht is een belangrijk instrument om te zorgen dat iedereen zich vrij voelt een beroep te doen op de hulp van een wijkteam en vrij uit te spreken.

Leeftijdsgrens

Is een cliënt nog geen twaalf jaar, dan vraag de professional toestemming aan de gezaghebbende ouders voor het delen van informatie. Vanaf 12 jaar beslist de cliënt hier zelf over. Wordt informatie over een jongere vanaf 12 jaar én over zijn ouders gedeeld, dan is hiervoor ook toestemming van de ouders nodig.

Uitzondering op het toestemmingsvereiste: Veronderstelde toestemming

Op de zwijgplicht van de professional van een wijkteam die hulp aan een cliënt biedt, geldt een belangrijke uitzondering. Toestemming van de cliënt wordt verondersteld als een hulpverlener informatie deelt met een professional die bij hetzelfde type hulp aan dezelfde cliënt is betrokken binnen dezelfde instelling/organisatie. Zo hoeft een professional van het wijkteam die een oudere hulp biedt geen toestemming te vragen als hij met de gedragswetenschapper van zijn instelling, die de hulp coördineert, wil overleggen over signalen van ouderenmishandeling. Wel is toestemming nodig als de professional over een cliënt wil overleggen met een professional die een ander type hulp biedt. Zo vraagt het lid van het wijkteam toestemming aan zijn cliënt voor overleg met de huisarts.

Geheimhoudingsplicht bij toegangstaak

Als professionals van de wijkteams de gemeentelijke taak uitvoeren om te beslissen over niet vrij toegankelijke jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning geldt voor hen een geheimhoudingsplicht.85 Dit wil zeggen dat zij informatie waarover zij door hun taak beschikken niet aan anderen bekend mogen maken.

Uitzondering geheimhouding bij de toegangstaak

Bij de geheimhoudingsplicht die geldt in verband met de uitoefening van de wettelijke toegangstaak geldt als uitzondering dat wel de informatie mag worden gedeeld die noodzakelijk is voor de uitvoering van de wettelijke (toegangs)taak.86 Zo kan een professional van het wijkteam informatie verstrekken aan en opvragen bij een jeugdhulpaanbieder die een inwoner van de gemeente niet vrij toegankelijke jeugdhulp biedt. Voor het delen van de noodzakelijke informatie in het kader van de toegangstaak, hebben de gemeente en de jeugdhulpaanbieder geen toestemming nodig van de cliënt. Grondslag (wettelijke basis) voor het delen van de noodzakelijke informatie is de wettelijke toegangstaak van de gemeente.87

Uitzondering op het toestemmingsvereiste: Informatierecht van Veilig Thuis

Op basis van het wettelijk meldrecht kunnen professionals ook op verzoek van Veilig Thuis informatie over de cliënt delen. Dit kan zonder toestemming van de cliënt. Voorwaarde is dat de professional van het wijkteam alleen noodzakelijke informatie deelt voor het beoordelen van de veiligheid of voor het stoppen van het geweld. Als tweede voorwaarde geldt dat professionals de cliënt informeren zodat deze weet welke informatie wordt gedeeld met Veilig Thuis, zoals beschreven in paragraaf 3.3.

Uitzondering op het toestemmingsvereiste: Conflict van plichten

Het wettelijk meldrecht richt zich alleen op informatie delen met Veilig Thuis. Van dit recht kan geen gebruik worden gemaakt voor het delen van informatie met andere hulpverleners of instanties, zoals de school of een jeugdarts. Daarvoor heeft een professional toestemming nodig. Dit toestemmingsvereiste is niet absoluut. Een professional kan beklemd raken tussen twee plichten: de plicht te zwijgen en de plicht te spreken. Op basis van een zorgvuldige afweging kan de professional besluiten zonder toestemming informatie te delen als dit noodzakelijk is (het aanzienlijk risico op) ernstige schade bij de cliënt of bij een ander te beperken of te voorkomen.

Meldrecht en meldcode

Als professionals van het wijkteam signalen hebben van kindermishandeling of huiselijk geweld, kunnen zij een melding doen bij Veilig Thuis. De professionals maken dan gebruik van hun meldrecht, ongeacht welke van de twee taken zij uitvoeren.88 Het meldrecht betekent dat de professionals voor het doen van de melding geen toestemming nodig hebben van de cliënt. Wel wordt van professionals gevraagd bij signalen of vermoedens van kindermishandeling of huiselijk geweld de stappen van de meldcode te zetten om zo tot een zorgvuldig besluit te komen over het al dan niet doen van een melding.89

Let op!

Geweld van professionals ten opzichte van cliënten en tussen cliënten onderling valt buiten het meldrecht en de meldcode. De Wmo en de Jeugdwet verplichten (bestuurders van) instellingen voor maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp dit geweld te melden bij de gemeente (maatschappelijke ondersteuning) of bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (jeugdhulp).90

Tucht- en klachtrecht

Professionals van het wijkteam die BIG of SKJ- geregistreerd zijn, vallen onder het BIG- of SKJ-tuchtrecht. Daarnaast vallen professionals die lid zijn van een beroepsvereniging, zoals de Beroepsvereniging van Professionals in Sociaal Werk (BPSW), het Nederlands Instituut van Psychologen (NIP) of de Nederlandse Vereniging van Pedagogen en Onderwijskundigen (NVO), onder het betreffende verenigingstuchtrecht. Daarnaast moet het wijkteam een klachtenregeling hebben. Dit kan een eigen klachtenregeling zijn of een gemeentelijke klachtenregeling.

Zie ook paragraaf:

Casus “Niet in gesprek”

In de contacten van een lid van het wijkteam met een inwoner om zijn hulpvraag te verkennen, ontstaat bij de professional het vermoeden dat de inwoner geestelijk wordt mishandeld door zijn mantelzorgende buurvrouw. De medewerker van het wijkteam spreekt haar vermoeden uit en de inwoner bevestigt dat de buurvrouw wel eens ‘over de grens gaat’. Maar hij verbiedt de medewerker uitdrukkelijk contact met de buurvrouw te zoeken, want hij wil dat zij hem blijft helpen. Haar gepest en getreiter neemt hij op de koop toe. De medewerker wil toch met de buurvrouw in gesprek want nu ze als professional eenmaal weet van deze mishandeling moet ze toch haar verantwoordelijkheid nemen.

Lydia zegt:De medewerker van het wijkteam moet bij signalen van huiselijk geweld inderdaad haar verantwoordelijkheid nemen. Als het echt niet lukt toestemming te krijgen van de inwoner in gesprek te gaan met de buurvrouw, moet ze deze weigering respecteren en kan ze niet naar de buurvrouw toe. Wel moet ze de stappen van de meldcode zetten. Mocht dit bij stap 5 leiden tot het doen van een melding, dan moet ze in haar melding duidelijk maken dat ze de signalen van de inwoner hoorde, dat ze zelf het gedrag van de buurvrouw niet zag en dat de inwoner haar geen toestemming gaf contact te zoeken met de buurvrouw.


  1. Op grond van artikel 9 Ambtenarenwet 2017. Medewerkers die geen ambtenaar zijn tekenen een geheimhoudingsverklaring bij de start van hun werkzaamheden. 

  2. Artikel 7.4.0 Jeugdwet. 

  3. Deze grondslag voor het delen van informatie wordt in de AVG ‘een taak van algemeen belang’ genoemd 

  4. Dit meldrecht staat in artikel 5.2.6 Wmo 

  5. De verplichting een meldcode te hebben en te gebruiken staat o.a. in artikel 3.3. van de Wmo en in artikel 4.1.7 Jeugdwet. 

  6. Zie artikel 3.4 Wmo en 4.1.8. Jeugdwet. Geweld van cliënten onderling hoeft alleen te worden gemeld als de cliënten minstens een dagdeel verblijven in de accommodatie én vanwege het geweld medische of gedragskundige behandeling nodig was en/of als de politie betrokken werd. Lichamelijk, geestelijk en seksueel geweld van een medewerker ten opzichte van een cliënt en seksueel geweld tussen cliënten (in een intramurale setting) moet altijd worden gemeld. 

Zorg

Gehandicaptenzorg, geestelijke gezondheidszorg, huisartsenzorg, jeugdgezondheidzorg, kraamzorg, langdurige zorg, revalidatiezorg, thuiszorg en ziekenhuiszorg

Wettelijk kader

De zwijgplicht in de WGBO geldt voor nagenoeg alle zorgverleners, want de WGBO geldt niet alleen voor medische onderzoeken en behandelingen en voor alle zorg die daarmee samenhangt maar ook voor de zorg in een GGZ-instelling, verpleeghuis of instelling voor gehandicaptenzorg en voor ambulante zorg, bijvoorbeeld door de thuiszorg en door de kraamzorg.

Voor een aantal zorgverleners geldt naast de zwijgplicht van de WGBO ook de zwijgplicht in de Wet BIG. Beide wetten bevatten een vergelijkbare bepaling over de zwijgplicht voor zorgverleners.

Let op!

In dit hoofdstuk wordt de term ‘zorgverlener’ gebruikt voor alle beroepskrachten die onder de WGBO vallen . De term ‘patiënt’ wordt gebruikt voor alle zorgontvangers.

Medisch beroepsgeheim

Op basis van de WGBO91 (en voor sommigen ook op basis van de Wet BIG92) heeft iedere zorgverlener die een zorgrelatie heeft (gehad) met een patiënt, een zwijgplicht, ook wel beroepsgeheim genoemd. De zwijgplicht wil ervoor zorgen dat iedereen zich vrij voelt een beroep te doen op zorgverleners en vrij uit met hen te spreken. Wil de zorgverlener toch met anderen over de patiënt spreken, dan moet hij gericht toestemming vragen en krijgen van de patiënt.

Leeftijdsgrens

Is een patiënt nog geen twaalf jaar, dan vraagt de zorgverlener toestemming aan de gezaghebbende ouders voor het delen van informatie. Vanaf 12 jaar beslist de patiënt hier zelf over. Wordt informatie over een jongere vanaf 12 jaar én over zijn ouders gedeeld, dan is ook de toestemming van de ouders nodig.

Uitzondering op het toestemmingsvereiste: Veronderstelde toestemming

Toestemming wordt verondersteld en hoeft de zorgverlener niet expliciet te vragen als hij informatie deelt met een andere zorgverlener die rechtstreeks bij hetzelfde type zorg aan dezelfde patiënt is betrokken. Zo hoeft geen toestemming worden gevraagd voor een overleg tussen een arts en een verpleegkundige over de behandeling van de hersenschudding van een slachtoffer van huiselijk geweld. Hetzelfde geldt voor het overleg tussen de kraamverzorgende en de verloskundige en het overleg tussen de begeleider, de arts verstandelijk gehandicapten en de gedragswetenschapper die samen zorg bieden aan een patiënt. Wel toestemming moet worden gevraagd als een zorgverlener over zijn patiënt wil overleggen met een beroepskracht die een ander type hulp biedt aan dezelfde patiënt. Zo vraagt de thuiszorg toestemming aan de patiënt voor overleg met het wijkteam en de ggz-therapeut vraagt toestemming aan zijn jeugdige patiënt voor overleg met zijn mentor op school.

Let op!

De veronderstelde toestemming geldt alleen voor zover het delen van informatie nodig is voor de zorg waarbij beide zorgverleners zijn betrokken. Zo kan een ouderengeneeskundige op basis van veronderstelde toestemming overleggen met de orthopeed van de cliënt over de noodzaak van een heupoperatie. Maar de ouderengeneeskundige kan niet op basis van veronderstelde toestemming met deze orthopeed overleggen over zijn vermoeden dat de patiënt slachtoffer is van financieel misbruik door haar dochter.

Uitzondering op het toestemmingsvereiste: Informatierecht Veilig Thuis

Het meldrecht geeft de zorgverlener het recht op verzoek van Veilig Thuis informatie over een patiënt te delen. Ook hiervoor is geen toestemming nodig van de patiënt. Voorwaarde is dat de zorgverlener alleen noodzakelijk informatie deelt voor het beoordelen van de veiligheid en voor het stoppen van het geweld. Als tweede voorwaarde geldt dat de zorgverlener de patiënt vooraf informeert zodat deze weet welke informatie wordt gedeeld met Veilig Thuis, zoals beschreven in paragraaf 3.3.

Let op!

Geweld van een zorgverlener t.o.v. de patiënt, of tussen patiënten onderling, valt buiten de reikwijdte van het meldrecht en de meldcode. Bij dit type geweld is (de bestuurder van) de zorgaanbieder verplicht daarvan een melding te doen bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd.93

Uitzondering op het toestemmingsvereiste: Conflict van plichten

Het meldrecht richt zich alleen op informatie delen met Veilig Thuis. Van dit recht kan geen gebruik worden gemaakt voor het delen van informatie met andere hulpverleners of instanties, zoals jeugdhulp of maatschappelijk werk. Daarvoor heeft de zorgverlener toestemming nodig van zijn patiënt. Dit toestemmingsvereiste is niet absoluut. Een zorgverlener kan beklemd raken tussen twee plichten: de plicht te zwijgen en de plicht te spreken. Op basis van een zorgvuldige afweging kan een zorgverlener besluiten zonder toestemming informatie te delen als dit de enige manier is (het aanzienlijk risico op) ernstige schade bij zijn cliënt of bij een ander te beperken of te voorkomen.

Meldrecht en meldcode

Als zorgverleners signalen hebben van kindermishandeling of huiselijk geweld, kunnen zij een melding doen bij Veilig Thuis. Zorgverleners maken dan gebruik van hun meldrecht.94 Dit meldrecht houdt in dat zorgverleners voor het doen van een melding geen toestemming nodig hebben van de patiënt. Wel wordt van zorgverleners gevraagd dat zij bij signalen van kindermishandeling of huiselijk geweld de stappen van de meldcode zetten om tot een zorgvuldig besluit te komen over het al dan niet doen van een melding.95

Geweld van een zorgverlener t.o.v. de patiënt, of tussen patiënten onderling, valt buiten de reikwijdte van het meldrecht en de meldcode. Bij dit type geweld is (de bestuurder van) de zorgaanbieder verplicht daarvan een melding te doen bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd.96

Tucht- en klachtrecht

De Wet BIG97 regelt het tuchtrecht voor elf medische beroepsgroepen: artsen, verpleegkundigen, verloskundigen, tandartsen, apothekers, orthopedagogen -generalist, gz-psychologen, klinisch technologen, psychotherapeuten, physician assistants en fysiotherapeuten. Naast het tuchtrecht van de Wet BIG geldt klachtrecht op basis van de Wkkgz. Deze wet verplicht alle zorginstellingen en vrij gevestigde zorgverleners een laagdrempelige klachtenregeling te hebben.98

Zie ook paragraaf:

Casus “Welk letsel zag u?”

Veilig Thuis vraagt aan een jeugdarts welk letsel zij bij een vierjarig kind zag. De jeugdarts vraagt waarom Veilig Thuis de informatie nodig heeft en of Veilig Thuis de vragen die men aan haar heeft via de (beveiligde) mail wil toesturen. De arts zoekt vervolgens contact met de ouders om hen te vertellen welke informatie zij aan Veilig Thuis gaat geven. De ouders verbieden de arts informatie met Veilig Thuis te delen. De arts twijfelt wat zij nu moet doen.

Lydia zegt:De jeugdarts handelt professioneel door Veilig Thuis te vragen waarom haar informatie nodig is en of de concrete vragen via de mail kunnen worden toegestuurd en door daarna in gesprek te gaan met de ouders. Is duidelijk dat haar informatie noodzakelijk is voor de veiligheidsbeoordeling of voor het stoppen van het geweld, dan kan de arts op basis van haar informatierecht antwoord geven op vragen van Veilig Thuis, ondanks het verbod van de ouders.

Casus “De naam van de cliënt?”

Een medewerker in de gehandicaptenzorg vermoedt dat haar cliënt in de weekends thuis bij zijn ouders fysiek en psychisch mishandeld wordt. De medewerker overlegt met de arts gehandicaptenzorg die de zorg voor de patiënt coördineert. Zij vragen samen advies aan de aandachtsfunctionaris die graag wil weten om welke cliënt het gaat om zo een beter advies te kunnen geven. De medewerker en de arts aarzelen of zij de naam van de cliënt kunnen noemen.

Lydia zegt:De aarzeling is terecht. Als regel wordt bij het vragen van advies de naam van de cliënt niet genoemd. Cliëntgegevens kunnen wel worden genoemd als de aandachtsfunctionaris in een andere rol direct bij de zorg aan de patiënt is betrokken.

Let op!

De medewerker kan bij het overleg met de arts de naam van de cliënt wel noemen omdat de arts rechtstreeks (als behandelcoördinator) bij de zorg aan de cliënt is betrokken.

Casus “Melding nodig?”

Een wijkverpleegkundige vermoedt ouderenmishandeling bij een cliënt. De wijkverpleegkundige vraagt advies aan de aandachtsfunctionaris en voert daarna een gesprek met haar cliënt. Met toestemming van de cliënt voert de wijkverpleegkundige ook een gesprek met de dochter die als mantelzorger voor haar moeder zorgt. De dochter erkent dat ze soms veel te ruw met haar moeder omgaat omdat ze, naarmate de zorg intensiever wordt, eigenlijk zwaar overvraagd wordt. In een gesprek met moeder en dochter wijst de wijkverpleegkundige op de mogelijkheid om extra ondersteuning in te zetten. De cliënt voelt daar niet zoveel voor maar als ze inziet dat deze ondersteuning er voor kan zorgen dat ze vooralsnog thuis kan blijven wonen, stemt ze er mee in. De dochter is blij Met de extra ondersteuning waardoor ze een deel van haar zorgtaken kan overdragen. De wijkverpleegkundige vraagt zich af of ze verplicht is een melding te doen.

Lydia zegt:De wijkverpleegkundige handelt zorgvuldig in deze casus. Ze gaat in gesprek met haar cliënt en vraagt in dit gesprek toestemming aan de cliënt om met de dochter te spreken. Na het gesprek met de dochter gaat de wijkverpleegkundige met moeder en dochter samen in gesprek. Zo wordt duidelijk wat de oorzaken van de ouderenmishandeling zijn en dat moeder en dochter open staan voor hulp.

De wijkverpleegkundige doet er goed aan om na deze gesprekken opnieuw advies te vragen aan de aandachtsfunctionaris over de beslissing om wel of niet een melding te doen. Nu de oorzaak van de ouderenmishandeling lijkt te zijn weggenomen en de wijkverpleegkundige bij de moeder blijft komen en zo ook kan volgen of de extra ondersteuning er toe leidt dat de ouderenmishandeling stopt, zal het advies van de aandachtsfunctionaris waarschijnlijk luiden (vooralsnog) geen melding te doen.

Casus “Wel of geen melding?”

Een arts zoekt contact met zijn patiënt omdat hij een melding wil doen bij Veilig Thuis van het geweld waarvan zijn patiënt slachtoffer is. De patiënt vraagt hem dringend dit niet te doen. Ze belooft weg te gaan bij haar vriend en hulp te zoeken. De arts aarzelt. De vrouw heeft al vele malen gezegd dat ze haar (gewelddadige) vriend zal verlaten en open staat voor hulp maar ondertussen verandert er niets en gaat het fysieke en psychische geweld door.

Lydia zegt:De arts heeft geen toestemming van zijn patiënt nodig voor de melding. Wel vraagt de KNMG- Meldcode van de arts de bezwaren van een meerderjarige patiënt zorgvuldig te wegen, als geen kinderen bij het geweld betrokken zijn. Nu sprake lijkt te zijn van structureel geweld - en wellicht van intieme terreur gelet op de angst van de vrouw – is het doen van een melding noodzakelijk om de patiënt tegen het geweld te beschermen.


  1. Artikel 7:457 BW (de WGBO is opgenomen in Boek 7 BW). 

  2. Artikel 88 Wet BIG. 

  3. Artikel 11 lid 1 Wkkgz. De meldplicht voor geweld tussen patiënten geldt alleen als zij minimaal een dagdeel in een instelling verblijven en door het geweld medische of gedragskundige behandeling noodzakelijk was en/of de politie betrokken was bij het geweld. Lichamelijk, geestelijk en seksueel geweld van een zorgverlener t.o.v. een patiënt moet altijd worden gemeld evenals seksueel geweld (in een intramurale setting) tussen patiënten. 

  4. Dit meldrecht staat in artikel5.2.6 Wmo. 

  5. Artikel 8 Wkkgz 

  6. Artikel 11 lid 1 Wkkgz. De meldplicht voor geweld tussen patiënten geldt alleen als zij minimaal een dagdeel in een instelling verblijven en door het geweld medische of gedragskundige behandeling noodzakelijk was en/of de politie betrokken was bij het geweld. Lichamelijk, geestelijk en seksueel geweld van een zorgverlener t.o.v. een patiënt moet altijd worden gemeld evenals seksueel geweld (in een intramurale setting) tussen patiënten. 

  7. Artikel 47 Wet BIG. 

  8. Artikel 13 Wkkgz.